header2

citaat lama anagarika govinda


 

maandag, 05 februari 2018 09:00

Debat over het waarom en waartoe van het middelbaar beroepsonderwijs

Beoordeel dit artikel
(3 stemmen)

Tijdens het afsluitende debat van het congres over het middelbare beroepsonderwijs (mbo) bij Inholland in Amsterdam op 1 februari 2018 werden harde noten gekraakt over o.a. de doorstroom maar ook over de permanente reorganisatie van het mbo en de rol die het onderzoek in het mbo zou moeten spelen. Het mbo telt in Nederland bijna 500.000 studenten. Het gemiddelde aantal studenten per mbo-school is ruim zevenduizend.

Het congres was georganiseerd door het netwerk van hoogleraren en lectoren beroepsonderwijs, ScienceGuide, de divisie Beroepsonderwijs, Bedrijfsopleidingen en Vakmanschap van de Beroepsvereniging voor Onderwijsonderzoekers in Nederland en Vlaanderen (VOR) en het Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Op de site van ScienceGuide - het online netwerk voor de kennissector - zijn twee verslagen van het congres te lezen.

Centraal op het congres stond de vraag wat de positie van het mbo is in het maatschappelijk debat over onderwijs. Een heet hangijzer blijkt de doorstroom. Dit onderwerp kwam dan ook uitgebreid aan bod. Op dat terrein ontbreekt er volgens lector Jeroen Onstenk van Inholland eigenlijk nog een belangrijk aspect in de discussie: “De discussie over de doorstroom beperkt zich heel erg tot de doorstroom mbo-hbo. Maar aan de onderkant voltrekt zich ondertussen in stilte een drama bij de doorstroom van niveau 1 naar 2, en vooral van 2 naar 3 en 4”.
(Het mbo kent opleidingen op 4 niveaus: mbo 1, 2, 3 en 4. Voor elk mbo-niveau gelden toelatingseisen).

Lector Ellen Klatter van Hogeschool Rotterdam deelde mee dat er hele goede resultaten bereikt zijn wat betreft de doorstroom: “Jongeren worden sneller opgeleid, krijgen sneller een baan en vinden beter een plek op het hbo. Dat is door de dienstdoende ambtenaar op het ministerie eigenlijk een beetje weggepoetst. Het komt slecht uit voor het havo-systeem, en havo’s zijn er niet blij mee als dit in de aandacht gebracht wordt”.
Hoewel deze stelling door enkelen in de zaal achteraf werd bestreden bleef voor Klatter een vraag staan: “Voor wie zijn wij nu eigenlijk bezig als onderwijssysteem?” Het belang van de leerling en maatschappelijke vooruitgang moeten volgens haar voorop staan.

Marktwerking

Wat betreft de publiek-private samenwerking in het mbo: daarvan is het effect nog niet duidelijk. Volgens Marc van der Meer, bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg is “er veel nadruk gelegd op het Techniekpact en later het Zorgpact. Het interessante is dat wij niet kunnen beoordelen – ondanks de zelfevaluaties die gemaakt worden – of dat nou goed werkt. In die publiek-private partnerships concentreert zich een sterke mate van vernieuwing van het beroepsonderwijs zonder dat we goed kunnen beoordelen wat daar de onderwijskundige opbrengst is”.
Van der Meer wijst op de agenda die in het kabinet Rutte I in gang is gezet door de toenmalige minister van Onderwijs, Marja van Bijsterveldt en op de kwaliteitsafspraken die zijn gemaakt tussen het mbo en het ministerie: “Er is een bestuursakkoord gekomen tussen kabinet en de mbo-instellingen. Met als doel om op een aantal parameters ontwikkelingen door te voeren, zoals beroepspraktijkvorming, studierendement en schooluitval. Heel veel van die afspraken hadden onvoldoende inhoudelijke onderbouwing. En eigenlijk is dit een wereld op zichzelf geworden, zonder dat ze echt behulpzaam waren om het systeem inhoudelijk te verbeteren”.

Volgens Van der Meer is er ook in plaats van een bezuiniging in het mbo, er juist een extra impuls nodig in het mbo. “Wil je echt het onderwijs vernieuwen dan moet je investeren. Dat wordt heel sterk belemmerd door de budgettaire criteria die er zijn. Eigenlijk zijn er steeds gerichte brieven vanuit de overheid om tot bezuinigingen te komen.”
Van der Meer wees tot slot ook nog op de instrumenten van marktwerking, waar het mbo steeds meer onder te lijden heeft als gevolg van Europese interventies. Er is voortdurend strijd om geringe onderzoeksfinanciering. Dit leidt er ook toe dat instellingen met elkaar concurreren: “Je ziet het ook aan de mbo-instellingen die onderling in een spel zitten waarin ze de markt verdelen in een bepaalde regio. In de regio Noord-Brabant bijvoorbeeld komen jaarlijks veel Portugese metaalarbeiders”.

Doctorstitel

Een ander punt is dat er steeds meer masteropgeleide docenten in het mbo komen. Maar, de nadruk op masteropgeleid zijn, of zelfs gepromoveerd moeten zijn voor een onderzoeksfunctie bij mbo en hbo schiet volgens sommigen door: “Het leven lang leren brengt toch met zich mee dat we van iedereen maar vragen om steeds hoger gekwalificeerd te zijn, maar is dat wel nodig?”, vroeg een promovenda vanuit de zaal.

Volgens Onstenk slaat de cultuur nu al snel om naar een situatie die misschien wel helemaal niet wenselijk is. “Dat draagt misschien wel bij aan een onderzoekende cultuur, maar tegelijkertijd zit er misschien wel een valkuil. Daarmee zit je namelijk ook weer in die officiële en zeer hiërarchische lijn”. Volgens Onstenk is dat dus per definitie niet het meest zinvolle frame: “Het gaat er in het mbo vooral om of mensen dat wat uit onderzoek komt ook weer kunnen toepassen in het onderwijs”.

Stille ramp aan de basis van het mbo, Science Guide, 2 februari 2018: www.scienceguide.nl

Kwaliteitsafspraken in het mbo werken niet, Frans van Heest, Science Guide, 2 februari 2018: www.scienceguide.nl

Zie ook het dossier MBO van Science Guide: https://www.scienceguide.nl/dossiers/mbo/

Opleidingen, niveaus en leerwegen in het mbo, Rijksoverheid: www.rijksoverheid.nl

Nationaal Techniekpact 2020: www.rijksoverheid.nl

Zorgpact: https://zorgpact.nl/over-zorgpact

 

Laat een reactie achter

Als u reeds lid bent van beroepseer, dient u eerst in te loggen om te kunnen reageren.

Zorg ervoor dat u de verplichte (*) velden invult waar dit is aangegeven. HTML code is niet toegestaan.

Joomla webdesign: Zoccolo Concepting & Design