header2

citaat seneca 3


 

Redactie Beroepseer

Redactie Beroepseer

Jaap Versfelt, oprichter van stichting LeerKRACHT voor verbetering van het basis-, voorgezet en middelbaar beroepsonders d.m.v. een speciale aanpak, schrijft met grote opluchting in een blog dat er eindelijk een kentering gaande is in het onderwijs: de leraar doet er weer toe: “Na 30 jaar onderwijsvernieuwingen waarin het woord ‘leraar’ maar nauwelijks genoemd werd, begint de beroepsgroep zich te roeren. Leraren vragen in Den Haag om maatregelen tegen werkdruk, een hoger salaris en meer zeggenschap. ‘PO in Actie’ initieerde in oktober een massale staking en de volgende staat op stapel. Dat is veelbelovend. Maar er gaat fundamenteels niets veranderen totdat leraren samen het heft in handen nemen op hun eigen school en in hun bestuur. Een beroepsgroep van trotse professionals herken je aan hun dagelijks werk: voeren ze uit wat anderen bedenken of bepalen ze zelf wat het beste is voor hun leerlingen? Het antwoord moge duidelijk zijn. Maar wat heb je daarvoor nodig?

Neem bijvoorbeeld Singapore…

We kennen Singapore als een van de landen met het beste onderwijs wereldwijd. Dat is niet omdat in elk gezin een ‘tijgermoeder’ kinderen opjaagt. Wel is het leraarschap enorm populair. Waarom? Singapore bouwt en onderhoudt een enorm sterk lerarenkorps door aandacht te geven aan rekrutering, voorbereiding op het leraarschap en professionele groei op school:

 Leraren krijgen even goed betaald als accountants en ingenieurs

  • Lerarenopleidingen zijn gratis en enorm professioneel vormgegeven
  • Alleen de beste studenten worden toegelaten tot lerarenopleidingen
  • Leraren starten met een inductieprogramma van twee jaar
  • Op scholen zijn er carrièrepaden voor leraren (naar schoolleider, mentor en expert)
  • Leraren krijgen 100 uur per jaar voor professionele ontwikkeling (meer dan 2 uur per week)
  • In die 100 uur bereiden leraren samen lessen voor en bezoeken elkaars lessen
  • Elke school heeft één persoon die verantwoordelijk is voor professionele ontwikkeling
  • In elke school zijn er Expert-leraren en Mentor-leraren die anderen begeleiden
  • Bijna alle leraren op school zijn betrokken bij innovatie en onderzoeksprojecten
  • Het lerarenteam bepaalt collectief welke projecten dit zijn
  • Er zijn ‘academies’ waar leraren met leraren van andere scholen leren

Als je dit beeld op je laat inwerken wat zie je dan?

klik hier voor verder lezen van de blog Beter onderwijs? Er is maar één woord dat ertoe doet: Leraar, door Jaap Versfelt, Stichting LeerKRACHT, 17 november 2017: https://stichting-leerkracht.nl

ggz minder regelgekte meer zorgGGZ Nederland, de brancheorganisatie voor de geestelijke gezondheidszorg, is samen met de sector een campagne gestart voor terugdringing van de veel te hoge administratieve lasten in de geestelijke gezondheidszorg: Het motto is: Minder regelgekte - meer zorg.
De campagne is het begin van een reeks activiteiten die de lasten daadwerkelijk moeten gaan verminderen.

33% tijd kwijt aan administratie

Hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg besteden gemiddeld per dag wel 33% van hun tijd aan administratieve handelingen. Een psycholoog is regelmatig meer tijd kwijt aan administratie dan aan de behandeling zelf. Het bestuur besteedt steeds meer tijd en geld aan het vormgeven van verantwoording. Dat gaat ten koste van de zorg voor patiënten die dat nodig hebben. En het demotiveert en frustreert professionals als ze zien dat ze te weinig tijd voor hun patiënten hebben.

De GGZ is niet tegen verantwoording afleggen, die is essentieel voor (semi-)publieke organisaties met maatschappelijke taken.Toezicht en controle horen daarbij. Het verantwoorden is evenwel doorgeslagen. Incidenten hebben geleid tot te gedetailleerde regelgeving, controles, een opstapeling van verantwoordingseisen en protocollen. Professionals hebben daardoor steeds minder ruimte om naar eer en geweten hun werk goed te doen. Papierwerk is boven mensenwerk komen te staan.

Manifest

Er is een manifest tegen de regelgekte opgesteld met zeven uitgangspunten:

1. De patient terug op één
2. De helft minder regels
3. Begrijpelijke zorg- en behandelplannen
4. Niet meer tureluur van de factuur
5. Ophouden met afvinken
6. Klaar met het geklets.
7. Een gezamenlijke vuist

Teken het manifest en maak een vuist!

Klik hier voor lezen manifest en ondertekening: www.regelgekte.nl.

GGZ Nederland start ‘Minder regelgekte meer zorg’, GGZ Nederland, door Femme van Leeuwen, 16 november 2017: www.ggznederland.nl

 

omslag doorontwikkelen en verbeteren evaluatie politiewet2012Voorzitter Wim Kuijken van de Commissie Evaluatie Politiewet 2012 heeft op 16 november 2017 haar eindrapport aangeboden aan Minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid.

De commissie onderzocht het functioneren van de Politiewet die de basis vormt voor het bestel dat bij de reorganisatie van 25 regiokorpsen en het KLPD tot een nationaal politie korps is ingevoerd. In het rapport Doorontwikkelen en verbeteren presenteert de commissie haar visie en doet aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van de politie.

Minister Grapperhaus noemt het “belangrijk met het rapport het oordeel van de commissie te hebben hoe het politiebestel en de politie ervoor staan en aanbevelingen te krijgen voor de doorontwikkeling.
De politie en al die tienduizenden medewerkers hebben onder moeilijke omstandigheden de grootste reorganisatie in jaren uitgevoerd. Gelijktijdig heeft de politie op straat en in de opsporing zich volop ingezet voor onze veiligheid. Zij verdienen een groot compliment”.

De minister kondigt aan komend voorjaar met een kabinetsreactie te komen. “De komende periode ga ik over het rapport in gesprek met de politie, de regioburgemeesters en anderen uit het bestuurlijk veld, het openbaar ministerie, de politievakbonden en overige bij de politie betrokken partijen”.

Klik hier voor de site van de Rijkoverheid met links naar de documenten van de commissie-Kuiken: www.rijksoverheid.nl

joris slaets els borstlezing De vijfde Els Borst lezing werd op 14 november 2017 in Den Haag gegeven door prof. dr. Joris Slaets, hoogleraar ouderengeneeskunde in Groningen en directeur van de Leyden Academy on Vitality and Ageing. Titel van de lezing: Kwaliteit van zorg: wie mag het zeggen?
Naast Slaets kwamen aan het woord Sander de Hosson, longarts in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen; hij las enkele blogs voor, en Dorothea Touwen, ethicus en universitair docent van het LUMC en Ronnie van Diemen, inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg.

De Els Borst Lezing wordt elk jaar gegeven en is een initiatief van het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG). De eerste lezing werd gegeven tijdens het jubileumsymposium in 2013 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan. Het CEG is in 2003 opgericht op verzoek van de toenmalige minister van Volksgezondheid, Els Borst. Sindsdien signaleert en informeert
het CEG over diverse ethische vraagstukken die worden opgeroepen door nieuwe ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Het CEG is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS).

Slaets in zijn Inleiding:

”Mijn verhaal is eclectisch en vindt zijn oorsprong in mijn langdurige ervaring in de zorg. Ik beschouw in mijn lezing zowel de rol van de persoon die verzorgd moet worden, als de persoon die zorgt; zowel in de curatieve sector als in de langdurige zorg en zowel in de geestelijke gezondheidszorg als in de somatische zorg. Mijn verhaal is van toepassing op de hele zorgsector al zijn bepaalde elementen relevanter voor de langdurige zorg dan voor de (acute) op curatie gerichte zorg.

Wat mij opvalt, zijn de tegenstrijdige beelden in de Nederlandse samenleving rondom de kwaliteit van onze zorg. Die beelden zijn heel gevarieerd: van veel te duur tot kapotbezuinigd en van wereldtop tot mensonwaardig.
Kennelijk is wat we onder ‘goede zorg’ verstaan niet zo helder, net zomin als naar wie we moeten luisteren. Wie mag het zeggen?

De ethische vragen rondom goede zorg veranderen in de tijd, ook al is een aantal onderliggende morele waarden redelijk stabiel in onze samenleving. Zo vinden wij vrijheid, gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid, geluk, gezondheid en zelfstandigheid intrinsiek goed. Op een hoog abstractieniveau kunnen we stellen dat zorg die mensen helpt om dergelijke waarden te bereiken, goede zorg is. Daar hebben we in Nederland veel in bereikt en er zijn weinig landen in de wereld waar dat beter geregeld is. Toch is de samenleving op zoek naar een andere kwaliteit in de zorg, naar waarden waaraan we nu niet goed invulling kunnen geven. Misschien zijn we door onze ongekende welvaart en de voortschrijdende ontwikkeling van wetenschap en technologie wel gaan geloven in de maakbaarheid van alles.
We zijn het leven van mensen in een psychogeriatrisch verpleeghuis als ‘onwaardig’ gaan bestempelen en geven exorbitante bedragen uit in de hoop dat het dan ‘waardig’ wordt. Wanneer we mensen met leukemie kunnen genezen dan moeten we het onwaardige bestaan van mensen met dementie ook niet meer accepteren als samenleving, zo lijkt de redenering. Maar waardig leven gelijkstellen aan de afwezigheid van ziekte is al lang achterhaald. Zo is er veel commotie ontstaan in het publieke debat over de kwaliteit van onze zorg en dan vooral van de langdurige zorg voor ouderen, voor mensen met beperkingen en ook in de geestelijke gezondheidszorg. Hier wordt de vraag naar een andere dimensie van kwaliteit steeds nadrukkelijker gesteld.

Om meer duidelijkheid te scheppen in die kwaliteitsdiscussie, wil ik onderscheid maken tussen twee kaders waarvan ik vind dat die in de praktijk schurende waarden met zich mee brengen. Het ene kader noem ik normatief en het andere narratief”

omslag vijfde els borstlezingKlik hier voor de complete lezing in PDF van
prof. Slaets: Kwaliteit van zorg: wie mag het zeggen?

Bijdragen van sprekers Sander de Hosson,
Dorothea Touwen en Ronnie van Diemen. Klik hier.

5e Els Borst Lezing Kwaliteit van de zorg: wie mag het zeggen?,
CEG, 14 november 2017: https://ceg.nl

De lezing is ook te beluisteren op TXT Radio:
http://txtradio.nl

 

De Belgische journalist Lode Goukens vraagt zich af in een artikel in het tijdschrift voor politieke filosofie en cultuur Civis Mundi, af of Microsoft een nieuw verdienmodel heeft ontwikkeld waarbij klanten uitgemolken worden. Hij schrijft dat studenten in Vlaanderen voortaan het programma Office 365 gebruiken: “Zogezegd gratis. Microsoft pakt er groot mee uit. De beleidsmakers zouden echter zeer dringend de vraag moeten stellen of ze hun studenten daar echt een dienst mee bewijzen. De afgelopen jaren betaalden universiteiten voor campuslicenties op Office 2016 (dus indirect betaalde de Vlaamse overheid en op papier kregen ze een fikse korting). De facto maakte Microsoft Word de norm om papers in te dienen en Microsoft Powerpoint de norm om presentaties te maken. Niet dat er nog veel concurrentie bestond en over deze discussie gaat het hier bewust niet.

Microsoft Office was lang een duur softwarepakket. Zelfs met korting voor studenten. De Vlaamse universiteiten zorgden voor democratische oplossingen zoals computerruimtes en virtuele machines die enorme budgetten opslokten. Voor de studenten die niet graag online werken via Athena (UGent) zorgde dit bovendien voor problemen omdat ze op een virtuele Windows-pc werkten en dus een betrouwbare Internet-verbinding nodig hadden en al hun gegevens op een virtuele pc op de campus stonden. Bij een arme universiteit zoals de VUB die haar studenten de Office Portal aanbiedt, bestaat de mogelijkheid om een desktopversie van Office te downloaden en te installeren op pc of macintosh. Helaas bleek bij deze desktopversie dat het volstond om enkele minuten geen wifi-verbinding te hebben om constant foutmeldingen te krijgen dat Word, Excel, Powerpoint of Outlook geactiveerd diende (alsof het een nieuwe installatie gold). Volgens Microsoft is een officieel geïnstalleerde en geactiveerde build meteen een illegale kopie als niet permanent in de achtergrond gecontroleerd wordt via een login van de universiteit. Gevolg geen mogelijkheid om verder te werken, te bewaren of af te drukken tot er weer een wifi-verbinding en inloggen op de Microsoft-server volgde. Voor de slimme student die ergens buiten wifibereik ging studeren of werken aan een paper vormde dit een bron van frustratie en een groot tijdverlies (of verlies van moedwillig niet bewaard werk).

Verplicht in de cloud werken en uploaden naar OneDrive

Bij Office 365 worden de problemen zelfs nog groter. Microsoft verstopte in de desktop-versie de mogelijkheid om vanop de eigen harde schijf aan documenten te werken. Een document openen houdt voortaan in dat de student dit document moet opladen naar de Windows-server (een Onedrive for Business op naam van de universiteit). Ook het bewaren van het eigen werk naar de lokale harde schijf werd vakkundig verstopt en uit alle menu’s gewist om de klanten te verplichten in de cloud te werken op een OneDrive van Microsoft (die dan weer problematisch blijkt als de internet-verbinding vertraagt en niet snel genoeg gesaved kan worden, terwijl die OneDrive toch een lokale kopie op de harde schijf plaatst. Begrijpe wie kan). Veel studenten hebben internet via een gedeelde wifi op kot, via eduroam als ze in de buurt van de campus vertoeven of de Lijn als ze met de tram rijden (op de trein is wifi nog een vage wensdroom). Stuk voor stuk weinig ideale verbindingen.

Wat zijn de motieven van Microsoft om de desktop-toepassingen dermate aan te passen en dit via een update geniepig door te voeren? Het verstoppen van het openen of het bewaren van lokale bestanden op pc of mac met Office-toepassingen sedert enkele weken is het gevolg van het nieuwe verdienmodel dat Microsoft invoerde. Dit quasi onmogelijk maken om vanuit Word of Excel een bestand op je eigen harde schijf te openen (de essentie van personal computing) en de ronduit belachelijke vereiste die te uploaden naar een OneDrive in de nieuwe Word-versie passen in een bewuste internationale strategie. Een strategie die helaas nooit duidelijk gecommuniceerd werd en waar zelfs de helpdesk aan de universiteit niet van op de hoogte was”.

Goukens beschrijft vervolgens nog welke functies van Word en Excel er nog meer ontbreken. Bij de cloud srtaat alles op een server waar de gebruiker geen vat op heeft. Op die manier beslist Microsoft eenzijdig. Een update van Office overslaan is voortaan uitgesloten.

Waarom kan de klant niet offline werken zonder dat de laatste nieuwe Office-versie zijn werk saboteert en begint te vragen naar activering? De reden is overduidelijk: “Microsoft dat groot werd met de personal computer (PC) wil terug naar een systeem van timesharing zoals voor de introductie van de PC. De gebruiker werkt op een client of terminal die met een server (destijds een mainframe waarop de gebruiker rekentijd deelde) communiceert. De bedrijven waren aan handen en voeten gebonden en betaalden prijzen voor hun toepassingen die bijdroegen aan het succes van de personal computers toen die op de markt verschenen. De PC zorgde voor de ontvoogding van de computeraar. Het nieuwe verdienmodel wil dus terug naar een situatie waarbij een softwareaanbieder als een watermaatschappij belooft om software aan te bieden als bij het opendraaien van een kraantje, maar wel elk moment de hoofdkraan kan dichtdraaien. De gebruiker betaalt een vast bedrag per maand of hij nu van de toepassing gebruik maakt of niet”.

Lees het hele artikel met conclusie van Lode Goukens: De cloud-terreur van Microsoft, Civis Mundi Digitaal no 52: www.civismundi.nl

P.S.: Een stukje geschiedenis

Op 12 augustus 1981 presenteerde IBM zijn eerste Personal Computer op een persconferentie in het Waldorf-Astoria Hotel in New York, een computer voor individueel gebruik. Binnen enkele jaren was er geen secretaresse of boekhouder meer te vinden die niet zo’n handige ‘microcomputer’ of homecomputer op het bureau had staan. Met de eerste personal computer van IBM begon de pc-revolutie pas echt.
In 1977 introduceerde Apple de Apple II de eerste succesvolle pc met een monitor en toetsenbord om gegevens in te voeren. Apple had het in zijn reclame-uitingen over de Apple II al over een ‘Personal Computer’; IBM was evenwel de eerste fabrikant die zijn computers de type-aanduiding Personal Computer gaf, en werd daardoor de bekendste.

1984 macintosch commercial 2In 1984 - let op het jaartal! - kwam Apple met de Apple Macintosh, de eerste computer met een grafische gebruikersomgeving. Dit betekende een revolutie voor de computermarkt. De commercial die de Macintosch introduceerde op televisie, sloeg in als een bom en maakte de Macintosch waanzinnig populair. Binnen een minuut begrepen de kijkers dat het hier om iets essentieels ging. In de regie van Ridley Scott zien we een atletische, hardlopende vrouw naderbij komen en een hamer hoog in de lucht gooien naar een reuzentelevisiescherm waarop een Orwelliaanse leider een hypnotiserende toespraak houdt voor een apathisch, uniform gekleed publiek. De boodschap was simpel: leven in een vrije maatschappij of in een gevangenis.

Binnen de eerste honderd dagen verkocht Apple voor meer dan 150 miljoen dollar aan computers. De filosofie van Apple was dat burgers, en niet alleen overheden en grote bedrijven, zich van de technologie moesten bedienen: “Als we willen voorkomen dat computers ons leven gaan beheersen, dan moeten ze toegankelijk zijn”.
Zie hieronder video met de Macintosch-commercial.

maandag, 13 november 2017 12:27

Theo Jansen, kunstenaar van het jaar 2018

theo jansen 3 thumbIn de documentaire De jongensdroom zien we hoe de creaties van Theo Jansen, gedreven door de wind, zich voortbewegen op het strand tussen Kijkduin en Scheveningen. Ieder jaar, in de lente en de zomer, test Jansen zijn nieuwste strandbeesten uit aan de Nederlandse kust. Het levert een spectaculair schouwspel op.
Theo Jansen mag zich in 2018 Kunstenaar van het jaar noemen. Hij is de winnaar van de jaarlijkse verkiezing, georganiseerd door Stichting Kunstweek. Het publiek kan kiezen uit een lijst van 100 beste kunstenaars; er zijn circa 40.000 stemmen uitgebracht.

Jelmer Evers doet in een blog een beroep op leraren zich te verenigen en legt uit dat dat cruciaal is voor de fundamenten van een democratische maatschappij.
Evers is docent geschiedenis, blogger en onderwijsactivist. Met René Kneyber schreef hij het boek Het alternatief - Weg met de afrekencultuur in het onderwijs! Een internationale uitgave verscheen in 2015: Flip the system. Changing education from the ground up.

Evers in zijn blog op Onderzoek Onderwijs.net*): Iedereen die op Twitter zit - en kranten leest trouwens - en iets met onderwijs heeft kan het niet ontgaan zijn dat er iets aan de hand is in lerarenland. Er is veel te doen over de representativiteit van lerarenorganisaties. De Onderwijscoöperatie (OC) heeft als motto Van, voor en door leraren, maar daar is de afgelopen tijd weinig van gebleken .

De druppel die de emmer deed overlopen was de afgewezen sollicitatie van Jan van der Ven naar het voorzitterschap van de Onderwijscoöperatie. Dat was het eerlijk gezegd voor mij ook. Jan was unaniem voorgedragen door de adviescommissie van leraren, maar werd afgewezen door het bestuur, bestaande uit vakbondsleiders. Met name door het lerarenregister waren de verhoudingen al op scherp gezet. Het register en de Onderwijscoöperatie worden nu als iets van beleidsmakers (en OCW) gezien in plaats van de beroepsgroep zelf. We zijn dus in de bizarre situatie terecht gekomen dat vakbonden tegenover degenen lijken te staan die ze vertegenwoordigen. Maar ik denk dat de huidige crisis een kans is om noodzakelijke hervormingen door te voeren. Wat Dennis Shirley “the promise of the present moment” noemt.
Een manifest in zes punten:

  1. Meer democratie
  2. Meer organising en netwerken
  3. Meer actieve leraren in besturen
  4. Gebruik nieuwe technologieën
  5. Een fusie van alle vakbonden.
  6. Aansluiten bij Education International

Vakbonden, ongelijkheid en democratie

Ik denk dat het goed is om eerst iets vast te stellen: vakbonden zijn een democratische noodzaak. En die noodzaak is alleen maar sterker geworden de afgelopen 30 jaar. Ik heb veel gezucht en gesteun gezien de afgelopen jaren over “die bonden”. Dat was zelfs doorgedrongen tot de parlementsleden van de voormalige Partij van de Arbeid. Ik heb niet vaak zo’n dedain tegenover vakbonden gehoord. Unions, who needs ‘em? Right? Wrong. We kunnen niet zonder vakbonden. Teruglopend vakbondslidmaatschap zet de fundamenten van onze democratie onder druk. Dus als iemand roept dat vakbonden ouderwets zijn, dan laten ze eerder een gebrek aan historisch besef zien.

Gedurende de Industriële Revolutie organiseerden arbeiders zich in vakbonden zich om zich tegen uitbuiting te beschermen en om gezamenlijk politieke, economische en sociale veranderingen te bewerkstelligen. Dat had grote politieke repercussies: democratie en economische gelijkheid. De grote sociaaldemocratische politieke partijen van de twintigste eeuw hebben hun oorsprong in de arbeidersbeweging. Vakbonden zijn niet alleen maar goed voor hun leden, maar dienen ook als catalysator voor bredere sociaaleconomische hervormingen. Zonder vakbonden geen ontslagrecht, sociaal vangnet, 8-urige werkweek, progressief belastingstelsel, weekenden vrij, vakanties. Om maar een paar belangrijke sociaaldemocratische verworvenheden te noemen.

Dat lijken we te zijn vergeten. In deze tijd dat ongelijkheid snel toeneemt, spelen vakbonden juist een cruciale rol. Vakbonden bieden een tegenwicht tegen de 1% en grote multinationals. De afnemende invloed van bonden heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen dat het salaris van CEO’s disproportioneel is toegenomen ten opzichte van werknemers (Western & Rosenfeld 2011) Republikeinen, aangespoord door rijke donoren, hebben vanaf de jaren ‘70 vakbonden in de Verenigde Staten onschadelijk gemaakt. Begin jaren ’80 gebeurde dat in iets mindere mate in Groot-Brittannië. Dat heeft grote gevolgen gehad voor de politieke verhoudingen en economische ongelijkheid in die landen. Dat is recentelijk alleen maar in een stroomversnelling gekomen. En dat is geen natuurwet, maar een bewust gecreëerde politieke constellatie. “we find that declining unions and the fall in the real value of the minimum wage explain about half of rising inequality, while computerization explains about one-quarter. This suggests that much of rising inequality in the USA is driven by worker disempowerment rather than by market forces”.
In een analyse van toenemende ongelijkheid en deelname aan vakbonden bleek uit een analyse van het Economic Policy Institute dat deze grotendeels aan elkaar gespiegeld zijn. (Gordon n.d.) Met afnemend vakbondslidmaatschap neemt de ongelijkheid evenredig toe.

unions and shared prosperity

Het is ook aannemelijk dat er een groot verband bestaat tussen de val van de vakbonden en de hernieuwde opkomst van ongelijkheid en de daarmee samenhangende opkomst van rechts-populisme. Neil Gross vatte het vlak voor de verkiezingen in een long-read in de New York Times als volgt samen: “If infused with a democratic spirit — organized and run in a non-autocratic fashion with an eye to the greater good — a labor union might inculcate civic virtues in its members, pushing them to think and vote in a more enlightened way” (Gross 2016) Onthoud deze zin, hij is cruciaal. Gross haalt in zijn artikel socioloog Walter Lipset aan, die poneerde in 1956 in Democracy and Working Class Authoritarianism al dat er een verband is tussen democratisch georganiseerde vakbonden en vatbaarheid voor rechts-populisme (Lipset 1959). In een recente studie, Union members at the polls in diverse trade union landscapes, tonen Christoph Arnd en Linne Renwadt aan dat leden van een vakbond nog steeds eerder voor sociaal-democratische partijen stemmen en minder vaak voor rechts-populisten dan niet-leden (Arndt & Rennwald 2016). En dit staat in een veel langere traditie, de International Labour Organisation werd onder andere door grote druk van internationale vakfederaties in 1919 opgericht omdat werd ingezien dat de rechten van werknemers cruciaal zijn voor het behoud van de vrede. Met de opkomst van totalitaire regimes in de jaren ’30 waren het de vakbonden die het eerst werden afgeschaft en vakbondsleiders opgesloten of vermoord. Dat is nog steeds zo.

De nieuwe regenten

Dit uitstapje is nodig. Georganiseerde arbeid, werknemers en professionals zijn hard nodig als tegenwicht tegen de groeiende ongelijkheid en het behoud van onze democratische instituties. En dat terwijl de organisatiegraad ook in Nederland terugloopt. Dat blijkt ook weer uit een recente monitor van het CBS (CBS 2017). En daarvoor zijn wel enkele redenen aan te wijzen, naast de algemene tendens dat traditionele instituties aan invloed verliezen. Vakbonden beschermen ten eerste teveel de rechten van oude werknemers en de gevestigde orde. Ze hebben daarnaast te vaak een hiërarchisch cultuur die weinig innovatie en initiatief van onderop toelaat. Ten derde is er sprake van een byzantijnse inspraak- en organisatiestructuur. Op papier is er wel sprake van democratie, maar in de praktijk komt daar maar heel weinig van terecht, de schijn wordt opgehouden. Ten vierde is er geen binding en meer met de werkvloer. Vakbonden zijn geen netwerkorganisaties meer die in de haarvaten van het onderwijs - op scholen dus - zitten. Zo zijn we in het onderwijs veroordeeld tot een procentje meer of minder terwijl de nood steeds hoger wordt. Dat dit niet doordrong, of dat betekent dat de vereniging haar binding met de leden is verloren. En dat vakbondsleiders - al dan niet terecht - als nieuwe regenten worden gezien.

Maar dit fenomeen is niet nieuw. Alhoewel de drempel wel een stuk lager is door nieuwe technologie, is niet perse Facebook de oorzaak van dit soort activisme. Naar aanleiding van PO in Actie schreef Menno Tamminga in het NRC een mooie analyse (Tamminga 2017b). Hij neemt ons daarin mee terug naar 1988 toen verpleegkundigen “in opstand” kwamen tegen de gevestigde orde: Verpleegkundigen en Verzorgenden In Opstand, VVIO. Ook hier was het een actiegroep die noodzakelijke eisen kracht bijzette met succesvolle acties en daarbij de vakbonden passeerden. Precies zoals nu met PO in Actie. Een andere les is ook dat de actiegroep zich daarna heeft omgevormd tot een meer traditionele vakbond, NU 91.

Vakbonden behoren democratische verenigingen te zijn, met een sterke en nauwe binding met hun leden. Maar ik heb eerlijk gezegd in de scholen waar ik heb gewerkt nog nooit een vakbondsvertegenwoordiger gezien. Ik weet van mijn huidige school ook niet of we die hebben. Ik had dan ook absoluut geen binding met een vakbond toen ik ging lesgeven. Toen René Kneyber en ik aan Het alternatief begonnen, waren vakbonden niet de eerste plek om hulp te zoeken. Hetzelfde gebeurde met de organisatoren van PO in Actie. Terwijl een staking voor meer salaris en minder werkdruk toch echt tot de core business van een vakbond behoort. Zoals in De Groene werd aangehaald is in een ideale wereld een vakbond de spreekbuis en ingang tot meer inspraak van haar leden. Dat dit nu niet het geval is, en voor veel mensen is verworden tot een veredelde verzekering, is dodelijk.

In De Groene worden de kansen en gevaren van wat wordt bestempeld als de “stemmingendemocratie” op een rij gezet: “In het slechtste geval is ze een uitlaatklep voor blinde emotie, maar in het beste geval biedt ze burgers of beroepsgroepen de mogelijkheid om buiten de bestaande, misschien wat vastgeroeste kaders om terechte grieven aan te kaarten” (Tielbeke 2017). Maar tegelijkertijd zijn het oude en het nieuwe ook van elkaar afhankelijk. Zoals Tamminga concludeert: “de like op Facebook kan tot nu toe niet zonder het lid van de vakbond. En andersom.”

Het gevaar zit hem namelijk ook in clicktivisme (Morozov 2012). Een petitie en projectje hier, en een facebookgroep daar, maar geen duurzame achterliggende structuren opbouwen. Een belangrijke les van de Occupy beweging, en ook de Arabische Lente, was juist dat zonder een sterke organisatie en duidelijke politieke doelen massa-bewegingen weer heel snel uit elkaar kunnen vallen. Goed georganiseerde vakbonden hebben daarom nog steeds een grote meerwaarde. Bij PO in Actie steunen op dit moment de besturen de acties nog. Maar wat als er meerdaagse acties nodig zijn? Een lange adem? Is er dan een stakingskas voor niet-georganiseerde leraren? De kracht van PO in Actie zit juist ook in de verbinding die ze zoeken met bestaande vakbonden (ik hoop dat de andere ‘acties’ daar wat van leren).

Organising

Dat georganiseerde slagkracht hard nodig is heb ik inmiddels zelf van dichtbij mogen meemaken. Ik werk de laatste paar jaar met en bij Education International (EI). Een federatie van ca 400 vakbonden en beroepsverenigingen van leraren en ondersteunend personeel. EI heeft veel internationale campagnes om de belangen van leraren te bevorderen en te verdedigen. Een van de grote strijdpunten wereldwijd in het onderwijs is de privatisering van scholen en onderwijssystemen (en educational technology), ook hier. Die strijd wordt voor ons op andere plekken gestreden. Een voorbeeld is de Global Response against Commercialisation and Privatisation of Education, een enorme campagne die zich van Uruguay tot Liberia en van de Verenigde Staten tot de Filipijnen uitstrekt. Dit is cruciaal voor leraren en goed publiek onderwijs, niet alleen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, maar ook bij ons. De hoeveelheid venture capital die op zoek is naar de Uber van het onderwijs is enorm. Zonder EI zouden deze bedrijven en investeerders vrij spel hebben in landen als Liberia, Kenia en Oeganda. Onderzoek, nationale campagnes, allianties met NGO’s versterken elkaar internationaal. Dat betekent dat EI samen met haar lidorganisaties netwerken opbouwen, aan capacity building doen, lobbyen. Cruciale vertegenwoordiging bij UNESCO en de OESO om maar een paar voorbeelden te noemen.

Zonder lidmaatschap, contributie, mensen die daar worden vrijgemaakt vinden al deze activiteiten niet plaats, ook nationaal is dat nodig. Helaas is recentelijk alleen nog maar de AOb lid gebleven van Education International. CNV heeft vorig jaar haar lidmaatschap van EI opgezegd. En dat brengt me bij het volgende punt. Bovenstaande argumenten voor vakbonden (of beroepsorganisaties) snijden alleen hout als de verenigingen zelf democratisch, plat en genetwerkt zijn. Hoeveel leden wisten dat CNV lid was van EI? Hoeveel leden is wat gevraagd of ze niet meer lid wilden zijn van EI? Zijn geïnformeerd dat het CNV zich ging terugtrekken?

De internationale kant is maar een voorbeeld. Vakbonden moeten moderniseren. Ten eerste moet organising de kern van de vakbond worden. Niet meer ‘een sociale ANWB’ (Tamminga 2017a), maar een actieve belangenvertegenwoordiger die precies weet wat er speelt onder haar leden. We moeten af van de byzantijnse organisatie- en inspraakstructuren in vergaderzaaltjes. Getrapte vertegenwoordiging via regio- en sectorvergaderingen waar niemand meer komt opdagen - en als er iemand komt dan vaak dezelfde personen - is geen democratie meer. De Algemene Vergaderingen van de bonden moeten anders worden ingericht, waarom de vergadering bijvoorbeeld niet livestreamen en direct stemmen op afstand? Met nieuwe technologieën kan veel meer directe inspraak worden bewerkstelligd in de vertegenwoordigende vergaderingen. Ze kunnen ook een cruciale rol spelen in het organiseren. Zie nogmaals het succes van de Facebook-pagina van PO in Actie.

Kaderleden (misschien ook een nieuwe naam?) moeten daarom veel meer ondersteuners van nieuwe netwerken worden, de scholen weer in en sowieso kennis en actief zijn op sociale media. Niet alleen de Onderwijscoöperatie, maar alle vakbonden en lerarenorganisaties (AOb, CNV, FVOV, VVVO) moeten van, voor en door leraren worden. Er zijn al heel veel fantastische bottom-up initiatieven, zoals de meetups die zich steeds verder verspreiden. Daar kunnen we van leren.

Ook op dit vlak is veel te leren uit het buitenland. Zoals ook blijkt uit een studie van Howard Stevenson van vakbondsvernieuwing zitten in veel andere landen de bonden in de haarvaten van de school (Bascia & Stevenson 2017). Vakbonden claimen bij uitstek op te komen voor de professionele autonomie van leraren. Waarom niet in plaats van een incidentele workshop of congres, diepgaande netwerken opbouwen van MR-leden bijvoorbeeld? Lokaal georganiseerd in gemeentes en genetwerkt via een online platform. Dat netwerk zorgt voor capacity building en bevordert dat medezeggenschapsraden zich ook meer democratisch gaan ontwikkelen en professionele autonomie op scholen bevorderen. Het zijn juist dat soort activiteiten die bijvoorbeeld in het buitenland, onder andere in Nieuw-Zeeland en Californië, succesvol zijn gebleken of waarmee wordt geëxperimenteerd.

De toren van Babel

Daarnaast moeten we ook kijken naar het hele veld van lerarenorganisaties en de scheiding tussen vakinhoudelijke (beroeps)vertegenwoordiging en arbeidsvoorwaardelijke vertegenwoordiging. Op dit moment hebben we een wirwar aan verschillende lerarenorganisaties. We hebben de twee grote vakbonden AOb en CNV. Daarnaast hebben we ook nog de Federatie van Onderwijsvakorganisaties FVOV. Dat is een federatie van vakverenigingen die zich tot vakbond heeft omgevormd. Ik vraag me af of de leden van onder andere Levende Talen (LT) en de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren (NvvW) weten dat ze ook lid zijn van de FVOV als vakbond. En of ze daar überhaupt inspraak in hebben, ik denk het niet. En dan bedoel ik niet die papieren nepinspraak die er nu is.

 De AOb heeft afgelopen jaren de meeste klappen opgevangen en dat is onterecht. Toen de AOb het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) niet ondertekende deden de andere bonden dat wel. Inclusief de FVOV. Daar sta je dan als meest activistische bond. Als er een nullijn wordt afgekondigd op overheidssalarissen en het NOA wordt ondertekend door alle andere partijen, dan kom je in een isolement terecht. Dat is hier ook gebeurd. Deze verdeeldheid leidt tot een zwakke positie van alle leraren. Ik denk dan ook dat het tijd is om serieus over een fusie na te gaan denken. In Engeland zijn net de ATL en de NUT gefuseerd tot de National Education Union (NEU) waarbij er een bond van 500.000 leraren is gevormd. Tegelijkertijd is de fusie ook aangegrepen om vernieuwingen door te voeren. Ook in Nederland hebben we een geschiedenis van fuserende onderwijsbonden. Waarom nu ook niet?

En waar houdt beroepsinhoudelijke vertegenwoordiging op en begint arbeidsvoorwaardelijke vertegenwoordiging? Waar ligt precies die scheidslijn? Het leraarschap is een intellectueel beroep, een domein waar van oudsher niet vakbonden, maar beroepsverenigingen natuurlijke vertegenwoordigers zijn. Maar zoals ook heel duidelijk blijkt bij NU91, die zichzelf een beroepsvereniging noemt, komen zij op voor de inhoud van het beroep en de arbeidsvoorwaardelijke kant. Uit Stevensons studie blijkt ook dat wereldwijd wordt ingezien dat als lerarenvakbonden zich alleen richten op de bread and butter issues, ze geen lang leven beschoren meer zijn. Je moet je kunnen identificeren met een vereniging. En die identiteit ligt over het algemeen op het professionele, inhoudelijke vlak (Bascia & Stevenson 2017).

Daarnaast klinkt een beroepsvereniging mooi, maar mislukt ze ook vaak. In Ontario hebben ze daar al twee keer ervaring mee. Op dit moment bestaan er grote spanningen tussen de Teachers Council en de Ontario Federation of Teachers om, je raadt het al, hun lerarenregister. De OTF is terecht uitermate kritisch. In Schotland werkt het omdat de Education Institute of Scotland (EIS) ruim 85% van alle leraren vertegenwoordigt. Leraren in het register zijn ook leraren in de EIS. In Finland zien ze de noodzaak niet in van een aparte beroepsvereniging, omdat 95% van de leraren lid is van de OAJ. Die zowel beroepsvereniging als vakbond is. (Ze nemen ook genoegen met een beroepsethische code, en willen geen register).

En waarom zou je in Nederland lid worden van twee verenigingen? Je kunt je aandacht en geld maar een keer verdelen. Verenigingen bestaan bij de gratie van actieve leden. Dat blijkt wel uit het rumoer van de afgelopen tijd. Stel de beroepsvereniging holt het lidmaatschap van vakbonden verder uit, en als puntje bij paaltje komt de roep om een niet publiekelijk zal ondersteunt omdat het een beroepsvereniging is. Wat dan? Maar als ze dat wel doet, wat is dan het verschil met een vakbond? Misschien moeten we inderdaad de Onderwijs Coöperatie omvormen tot een universele democratische beroepsvereniging. Maar misschien is een fusie van de bonden ook een optie. Nog een nieuwe organisatie is geen goed idee denk ik.

E Pluribus Unum

Dit is uiteindelijk een lang verhaal geworden. Maar het is complex en het gaat me enorm aan mijn hart. Ik claim de waarheid niet in pacht te hebben, maar dit zijn wel overwegingen waarmee ik worstel. Ik ben op zoveel verschillende plekken zoveel goede mensen tegengekomen. Mijn eigen bond - de AOb - is daardoor veel dichter bij me komen te staan dan een aantal jaren geleden. Ondanks een flinke desillusie rondom het register en de verkiezing van de nieuwe voorzitter van de OC geloof ik dat we geen andere keuze hebben dan een sterke beroepsvertegenwoordiging, of we die nu nou vakbond of beroepsvereniging noemen. Ik geloof niet zo in die scheiding. Een nieuwe tijd vraagt om nieuwe instituties.

Voorop staat dat alle lerarenorganisaties meer van, voor en door leraren moeten worden en dat we ons anders moeten gaan organiseren. Ik stel dan ook de volgende actiepunten voor:

  1. Meer democratie in alle lerarenorganisaties AOB, CNV, FVOV, VVVO en alle individuele kleinere vak-en beroepsverenigingen. Weg met de byzantijnse vergadercultuur.
  2. Meer organising en netwerken in de haarvaten van de scholen in plaats van te grote nadruk op belangenbehartiging in Den Haag. Leden, en de werkvloer, gaan altijd voor.
  3. Een meerderheid actieve leraren in het dagelijks en in het hoofdbestuur (laatste is meestal al zo) en alle voorzitters zijn actieve leraren. Of ze gaan met tijdelijk verlof van vier jaar.
  4. Gebruik maken van nieuwe technologieën om meer inspraak te en capaciteitsontwikkeling te faciliteren.
  5. Een fusie van alle vakbonden. We streven naar een fusie van vakbonden, waarbij leraren zich kunnen organiseren rondom programma’s: werkdruk, klassengrootte, wel-geen register, welke curriculumvernieuwing, welke netwerken gaan we opbouwen, etc. Deze nieuwe vereniging behartigt zowel de arbeidsvoorwaardelijke als de beroepsinhoudelijke kant.
  6. Alle lerarenorganisaties sluiten zich aan bij Education International (dat kan nu ook al). Onderwijsbeleid is globaal geworden en die strijd kunnen we alleen maar samen aangaan en winnen.

Maar dit kan alleen gebeuren als we zelf die verandering voorstaan. We zijn lid van verenigingen en verenigingen hebben inspraak. Zo vol zitten die vergaderingen niet. Als je je al een beetje organiseert heb je zo de meerderheid. Meld je ook aan als kaderlid, maar stel dan ook de voorwaarde dat de zaken anders moeten worden ingevuld. Daarnaast is dit een oproep aan besturen van vakbondsorganisaties om niet af te wachten tot de vergaderingen vol lopen om die verandering te eisen, maar om zelf actief die verandering in te zetten. PO in Actie is zowel een inspiratie als waarschuwing.

Hieronder volgt alvast een lijst van vergaderingen van de AOb. Maar dit geldt net zo goed voor het CNV. Stel dan gelijk de vraag waarom je geen lid meer bent van EI. En voor bijvoorbeeld Levende Talen en NVVW Leraren. Waarom zijn jullie lid van FVOV? Moet dat ook niet eens ter discussie worden gesteld? Laat je niet afschepen en organiseer jezelf.

En zoals altijd de uitspraak van Hillel de Oudere en het leitmotiv van Het alternatief: ‘Als ik niet in mijn naam spreek, wie ben ik dan? En als wij onze stem niet laten horen, wie zal het dan doen? En als we dat nu niet doen, wanneer dan wel?’

 Lijst met vergaderingen van AOb, meld je hier aan

Zuidwest: Voorbereidende vergadering op de AV – Goes – 13 November

Noordwest: Voorbereidende vergadering op de AV – Amsterdam – 14 november

Zuid: Voorbereidende Algemene Vergadering Eindhoven – 20 november

Zuidwest: Voorbereidende vergadering op de AV – Rotterdam – 21 november

Noord: Voorbereidende vergadering en brainstormsessie – Groningen – 22 november

Algemene Ledenvergadering – Utrecht – 24 november 2017 (die wordt gelivestreamed geloof ik)


Bronnen

Arndt, C. & Rennwald, L., 2016. Union members at the polls in diverse trade union landscapes. European Journal of Political Research, 55(4), pp.702–722.

Bascia, N. & Stevenson, H., 2017. Organising teaching: Developing the power of the profession, Brussels: Education International.

CBS, 2017. Meer vrouwen, minder mannen vakbondslid. Centraal Bureau voor Statistiek. Available at: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/43/meer-vrouwen-minder-mannen-vakbondslid [Accessed November 1, 2017].

Gordon, C., Union decline and rising inequality in two charts. Working Economics Blog. Available at: http://www.epi.org/blog/union-decline-rising-inequality-charts/ [Accessed 2012].

Gross, N., 2016. The Decline of Unions and the Rise of Trump. New York Times. Available at: https://mobile.nytimes.com/2016/08/14/opinion/sunday/the-decline-of-unions-and-the-rise-of-trump.html?referer=https://www.google.nl/.

Lipset, S.M., 1959. Democracy and Working-Class Authoritarianism. American Sociological Review, 24(4), p.482.

Morozov, E., 2012. The Net Delusion: How Not to Liberate The World, Penguin.

Tamminga, M., 2017a. De vuist van de vakbond, een recente geschiedenis, Amsterdam: De Bezige Bij.

Tamminga, M., 2017b. Vakbonden, woede op de werkvloer en dan? NRC Handelsblad, pp.1–2.

Tielbeke, J., 2017. Facebook versus Vakbond. De Groene Amsterdammer. Available at: https://www.groene.nl/artikel/facebook-versus-vakbond?utm_source=De+Groene+Amsterdammer&utm_campaign=1cee1a60cb-Dagelijks_2017_10_26&utm_medium=email&utm_term=0_853cea572a-1cee1a60cb-70922121

Western, B. & Rosenfeld, J., 2011. Unions, Norms, and the Rise in U.S. Wage Inequality. American Sociological Review, 76(4), pp.513–537.



*)
Leraren aller landen verenigt u!,
door Jelmer Evers, Blogcollectief Onderzoek Onderwijs, 11 november: https://onderzoekonderwijs.net

 

Kan het zijn dat er een andere wind gaat waaien in het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VSW)? Volgens huisarts en straatdokter Marcel Slockers kan dat gaan gebeuren. In zijn blog op de site van Medisch Contact schrijft hij dat  ...Hugo de Jonge de man is die vindt dat de arts en de verpleegkundige leidend moeten zijn, en niet het systeem of de regels: “Met gekromde tenen in zijn kleurrijke schoenen hoorde Hugo de Jonge de verhalen aan op het straatdokterspreekuur in Rotterdam. Hoe bezoekers van ons spreekuur net dat zetje kregen dat nodig was om dakloos te raken door de systeemfouten van zorgverzekeraars, sociale dienst en nog meer overheid. Hoe ongunstige levensverhalen strandden in een fuik van regels en bezwaren. Het liet hem niet onbewogen.

Gesteund door een al even bewogen burgemeester Aboutaleb, wond toen nog wethouder Hugo de Jonge er bij het ministerie van VWS geen doekjes om dat daklozen uit de zorgverzekering knikkeren echt niet kan. Zijn vasthoudendheid leidde tot noodmaatregelen, die VWS samen met de GGD uitwerkte”.

Slockers schrijft verder over De Jonge’s pleidooi voor maatregelen bij kwetsbaar ouderschap en het stellen van de juiste vragen. De minister schijnt ook tegen kritiek te kunnen.

Slocker roept alle partijen in de gezondheidszorg op met de nieuwe minister grote stappen te zetten in zinvolle zorg voor alle kwetsbaren. Als wethouder van Rotterdam heeft hij blijk gegeven pal te staan voor mensen die dreigen tussen wal en schip te raken.

Mooie schoenen en simpele vragen, door Marcel Slockers, Medisch Contact, 30 oktober 2017: www.medischcontact.nl

omslag opslaan en vernietigen oskampBijna waren er in Hilversum vijf kilometer aan partituren uit de archieven van het Muziekcentrum van de omroep (MCO) in de papierversnipperaar terechtgekomen.
Het archief van het in Den Haag gevestigde Nederlands Muziek Instituut (NMI) is op het nippertje gered door de Haagse gemeente. Maar andere muziekarchieven in Nederland leiden een onzeker bestaan met een ongewisse toekomst.
In oktober 2017 werd het boek Opslaan en vernietigen; muziekarchieven bedreigd van Jacqueline Oskam gepresenteerd op een symposium in Den Haag over de toekomst van muziekarchieven. Jacqueline Oskamp is journalist en publiceerde eerder Radicaal gewoon. Bestaat er zoiets als Nederlandse muziek? (2003), Onder stroom. Geschiedenis van de elektronische muziek in Nederland (2011) en Een behoorlijk kabaal. Een cultuurgeschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw (2016).

Tengevolge van het in 2013 begonnen afbraakbeleid op cutluurgebied van staatssecretaris Halbe Zijlstra van OCW ontvingen drie belangrijke muziekarchieven geen enkele rijkssteun meer.Het ergst getroffen werd het Muziekcentrum Nederland (MCN), tot 2013 het kennis- en promotiecentrum voor Nederlandse professionele muziek. Het bestaat niet meer. Delen van de collectie werden op het nippertje ondergebracht bij de Universiteit van Amsterdam.

Gebrek aan langetermijnvisie

Ria Warmerdam bespreekt in het vakblad voor informatieprofessionals IP het boek van Oskam dat uitgegeven is door Ambo/Anthos met steun van Stichting Erfgoed Nederland. Warmerdam werkt op de catalogusafdeling van de Centrale Bibliotheek Utrecht: “Het is op zich al een blijde verrassing dat er een boek over de status van Nederlandse muziekarchieven verschijnt. Toen Halbe Zijlstra in 2013 met zijn hakbijl door het culturele landschap trok, en bekende orkesten, ensembles en gezelschappen op diverse creatieve manieren de noodklok luidden, sneeuwden de resten van de muziekarchieven een beetje onder. De branche is nu eenmaal minder zichtbaar, minder bekend en vooral minder sexy.
Als muziekbibliothecaris en lid van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken en -archieven (NVMB) heb ik samen met mijn vakgenoten verbijsterd en verontwaardigd de gevolgen van de bezuinigingen van dichtbij meegemaakt. Sterker nog, onze vereniging heeft van menig lid afscheid moeten nemen omdat zijn of haar bibliotheek of archief verdween, fuseerde of verdampte. De branche is dan ook erg gebaat met de aandacht die dit boek genereert.

Het gebrek aan sexappeal voert Oskamp aan als een van de bedreigingen. Ze meent dat er zo achteloos wordt omgegaan met ons muziekverleden omdat klassieke muziek niet sexy is. Sterker nog, klassieke muziek van eigen bodem is niet populair. Zo trots als we op Rembrandt en Mondriaan zijn, zo marginaal wordt er over Sweelinck of Peter Schat gedacht. In de economische crisistijd werden de kunsten bovendien bestempeld als een linkse hobby van de rijken waar algemene publieke middelen niet naartoe zouden moeten gaan.
Daarnaast heeft de samenleving te kampen met een gebrek aan langetermijnvisie. De politiek denkt niet verder dan de volgende verkiezingen en treedt graag neoliberaal terug om de markt zijn werk te laten doen. Dat leidt tot ad-hocbeslissingen waarbij het overzicht verloren gaat. Muziekarchieven zijn zo mogelijk nog minder sexy en bungelen onderaan de prioriteitenlijstjes.

Mensen met enorm veel kennis ontslagen

Juist archieven zijn gebaat bij een langetermijnvisie, stelt Oskamp. Je kunt je best afvragen wat zinvol is om te bewaren en wat niet, maar je kunt nooit anticiperen op de vragen die in de toekomst gesteld zullen worden. Dat het oeuvre van ‘Notenkraker’Peter Schat op dit moment niet zo relevant meer lijkt, wil niet zeggen dat dat over honderd jaar nog zo gevoeld wordt. En, door alle onrust en bezuinigingen is er ‘institutioneel geheugenverlies’ opgetreden. Er zijn veel mensen met enorm veel kennis ontslagen, de collecties zijn ingekrompen of in ontoegankelijke kelders opgeslagen”.

Lees de hele bespreking van Ria Warmerdam: Bespreking ‘Opslaan en vernietigen; muziekarchieven bedreigd’, IP, vakblad voor informatieprofessionals, 8 november 2017: https://informatieprofessional.nl

Klik hier voor info over boekpresentatie Opslaan en vernietigen in Den Haag in oktober 2017.

 

omslag burgerschap voortgezet onderwijsNederlandse jongeren weten minder over democratie dan leeftijdsgenoten in vergelijkbare landen. Dat blijkt uit de International Civic and Citizenship Education Study (ICCS), een internationaal onderzoek naar burgerschap onder leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarvan de resultaten op 7 november 2017 zijn gepubliceerd. Het Nederlandse deel van het onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam (UvA) en het Kohnstamm Instituut, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Kennis lager dan in andere landen

De kennis van burgerschap en de democratische rechtsstaat van leerlingen is gelijk aan het internationale gemiddelde, maar lager dan dat van scholieren in landen die op Nederland lijken, zoals België (Vlaanderen) of Denemarken. Ook zijn de verschillen in kennis over burgerschap tussen leerlingen hier groter dan in veel andere landen. Zo heeft één op de drie leerlingen in Nederland veel burgerschapskennis, en één op de drie leerlingen juist (heel) weinig burgerschapskennis. Net als in vergelijkbare landen beschikken meisjes over meer burgerschapskennis dan jongens.

Betrokkenheid en gelijke rechten

Nederlandse leerlingen zijn relatief minder politiek betrokken en hechten weinig belang aan verkiezingen; ze zijn minder van plan later te gaan stemmen. Meer dan in veel andere landen, vinden jongeren in Nederland het ‘respecteren van het recht op een eigen mening’ het belangrijkste aspect van burgerschap. Opvallend is dat Nederlandse leerlingen gelijke rechten voor de verschillende etnische groepen in een land het minst ondersteunen. Over Europa zijn ze weer relatief positief.

Scholen doen weinig aan burgerschapsonderwijs

In vergelijking met andere landen doen scholen in Nederland weinig aan burgerschap. Scholen mogen burgerschapsonderwijs zelf vormgeven en geven daar verschillend vorm aan. Een relatief laag percentage Nederlandse leraren voelt zich bekwaam om les te geven over verkiezingen of de grondwet. Hun leerlingen kritisch leren denken, vinden ze makkelijker.

Kloof tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders

Tussen leerlingen uit gezinnen met lager en hoger opgeleide ouders bestaan grote verschillen in burgerschapscompetenties. Die verschillen zijn er bij kennis, maar ook bij steun voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen, voor gelijke rechten van verschillende etnische groepen en voor Europese samenwerking. Ook de verschillen tussen vmbo-leerlingen en havo/vwo leerlingen zijn groot.

Migratieachtergrond van leerlingen maakt verschil

Leerlingen met een migratieachtergrond hebben minder burgerschapskennis dan overige leerlingen, maar dat verschil is in Nederland kleiner dan in andere landen. In steun voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen is geen verschil. Wel vinden leerlingen met een migratieachtergrond vaker dat etnische groepen gelijke rechten moeten hebben. In Nederland is ook de maatschappelijke participatie van leerlingen met en zonder migratieachtergrond gelijk, maar leerlingen met een migratieachtergrond hebben minder vertrouwen in maatschappelijke instituties en zijn minder van plan later te stemmen.

Stabiel

De meningen van Nederlandse scholieren over burgerschap zijn weinig veranderd, zo laat een vergelijking met de uitkomsten uit 2009 zien. Er is wel sprake van een groei in burgerschapskennis, zoals die eveneens in vrijwel alle landen heeft plaatsgevonden. In Nederland geldt dit echter alleen voor havo- en vwo-leerlingen.

Over het onderzoek

De International Civic and Citizenship Education Study (ICCS 2016) is uitgevoerd in 24 landen. In Nederland deden ruim 2.800 leerlingen mee uit de tweede klas van zo’n 100 scholen voor vmbo/havo/vwo. Het onderzoek in Nederland is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en het Kohnstamm Instituut.
De uitkomsten zijn gepubliceerd in het boek Burgerschap in het voortgezet onderwijs. Nederland in vergelijkend perspectief door Anke Munniksma, Anne Bert Dijkstra, Ineke van der Veen, Guuske Ledoux, Herman van de Werf horst, Geert ten Dam, uitgever Amsterdam University Press, 198 p., november 2017. Klik hier voor downloaden.

iccs 2016

Pagina 1 van 118
Joomla webdesign: Zoccolo Concepting & Design