Ter gelegenheid van de Dag van de Verpleging, die elk jaar op 12 mei - de geboortedag van Florence Nightingale - wordt gevierd, gaf Irene Hadjidakis een toespraak op een seminar voor zorgverleners in Elspeet. Het seminar had tot thema Ruimte om te zorgen, minder regels, meer regie en was georganiseerd door de Christelijke Vereniging van Zorgaanbieders Reliëf.
Irene Hadjidakis, verpleegkundige en leidinggevende in de zorg, gaf een speech van een half uur waar de vlammen vanaf sloegen. Ze had het over de vervreemding op de werkvloer en het weer contact maken met de kern van het beroep van verpleegkundige, dwars door alle checklijsten, protocollen, memo's en indicatiestellingen heen. Ze haalde herinneringen op aan toen ze nog leerling verpleegkundige was en moest terugdenken aan die ene hoofdzuster op de afdeling chirurgie van haar opleidingsziekenhuis, die rustig naar een moeilijke arts kon stappen en met alle respect zeggen: “Dokter, zo dóén wij dat hier niet, deze vrouw had uw moeder kunnen zijn”.
Ze ergert zich aan de taal waarvan de zorg zich heden ten dage bedient. Dat is niet meer de taal van de gezondheidszorg, maar van productiebedrijven en markten. Terug dus naar de menselijkheid in de zorg. Dat is ook het pleidooi van Irene Hadjidakis: "Tijd om op te staan en ons uit te spreken voor de menselijkheid in de zorg. Niet via anderen, georganiseerd in collectieven met welluidende doelstellingen, maar gewoon zelf, op je eigen werkvloer. Niet alleen, maar samen met je collega’s".
Of: Neem het heft in eigen hand op de werkvloer en zeg eens: "Beste manager, zo doen wij het hier wèl"!
Lees de hele toespraak van Irene Hadjidakis: Neem de ruimte voor de kracht van je beroep. Klik hier.
De toespraak is ook te beluisteren. Klik hier voor de audio.
Privatisering tot in zijn uiterste consequentie leidt tot zelfmoord politieke partijen
Written by Redactie BeroepseerDe vraag die Frans van Waarden, socioloog en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, zich stelt en probeert te beantwoorden en te bespreken, ligt in de titel van zijn beschouwing besloten: "Was privatisering van het publieke domein wel in het publieke belang?" Hij schreef zijn beschouwing vorig jaar in opdracht van de Parlementaire onderzoekscommissie Privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Het blijkt dat degenen die privatisering destijds hebben ingevoerd, niet voldoende overwogen hebben wat de baten en de mogelijke kosten van de beslissingen zouden kunnen zijn. Het blijkt ook dat wij wel van onze volksvertegenwoordigers verwachten dat ze wijze, weloverwogen keuzes maken, maar dat dat niet zo vanzelfsprekend is.
Wat voor vragen zou een verstandige parlementariër zichzelf behoren te stellen? Van Waarden maakte een lijstje van die vragen:
1. Wat is privatisering eigenlijk?
2. Daarvan afgeleid: wat is eigenlijk publiek en wat privaat?
3. Wat zijn indertijd de redenen geweest - zowel logische als historische - om iets tot een publieke taak dan wel verantwoordelijkheid te maken?
4. Wat zijn omgekeerd redenen en motieven geweest om iets te privatiseren dat eerder bewust in publiek handen is genomen?
5. Welke verschillende vormen van privatisering zijn er te onderscheiden?
6, Wat zijn de reeds opgetreden dan wel nog denkbare of mogelijke gevolgen van privatisering? Daarbij zal een onderscheid gemaakt worden tussen verwachte en bedoelde gevolgen en onbedoelde en onverwachte.
7. Is bij de besluitvorming over privatisering voldoende rekening met deze laatste vraag en mogelijke antwoorden daarop gehouden? Is daarover nagedacht? Hebben dergelijke afwegingen een rol gespeeld in de politieke besluitvorming?
8. Zo nee, mag men dan concluderen dat ‘de politiek’ weinig doordacht gehandeld heeft, weinig rationeel en meer door ideologische overtuigingen gedreven is geweest?
9. Diverse gevolgen die hier geanalyseerd zullen worden liggen minder voor de hand en waren waarschijnlijk niet zo voorspelbaar. Het zou daarom de beleidsmakers uit het verledenniet aangerekend kunnen worden dat ze er indertijd geen rekening mee hebben gehouden.
Achteraf praten is gemakkelijk. Maar zou het daarom geen aanbeveling verdienen om dergelijke verder liggende gevolgen te betrekken in een evaluatie achteraf?
Privatiseren: ophouden of doorgaan?
Enkele van deze vragen zijn al eens eerder aan de orde gesteld in diverse evaluaties van het marktwerkingsbeleid. Al in 2002 bracht de Wiardi Beckman Stichting (‘Commissie Van Thijn’) het rapport ‘Privatisering en de hervorming van de publieke sector’ uit, waarin de socialisten - onder Paars fervente dragers van het neoliberalisme - zich begonnen af te vragen: Privatiseren: ophouden of doorgaan? De vragen die zij, twintig jaar geleden inmiddels, opwierpen, en de stellingen die ze poneerden, gelden nog steeds:
“Het gevoerde beleid roept vragen op die beleidsmakers en beleidsadviseurs indertijd vergaten te stellen… Welke normen en waarden dienen voormalige overheidsbedrijven te hanteren in hun bedrijfsvoering?… In dat licht bezien is het privatiseringsprogramma zoals dat de afgelopen jaren op nationaal en lokaal niveau is uitgevoerd, niet zozeer een vergissing geweest, als wel een hervormingsproject dat:
a) te snel en vaak ook nonchalant is uitgevoerd;
b) dat onvoldoende doordacht is op negatieve bijwerkingen en op strijdigheid met andere, in integrale beleidskaders vastgelegde doelstellingen op lange termijn;
c) dat te weinig gedifferentieerd en onvoldoende op specifieke situaties toegesneden is uitgevoerd; en
d) veel te sterk gefixeerd is op één einddoel, nl. op hoog rendement gerichte exploitatie door particuliere ondernemingen – met voorbijgaan aan andere vormen van verzelfstandiging (waaronder overheids-N.V.’s; non-profit-organisaties) … Privatisering, een beperkt maar nuttig beleidsinstrument, is tot ideologie verheven.”
Evaluatie in eigen beheer uitgevoerd
Die aarzeling groeide verder na nog een aantal jaren ervaring met privatisering en bracht de FNV ertoe om in 2007 de studie Marktwerking: Timeout! te publiceren. Haar liberale sociale partner, het VNO/NCW, reageerde met het rapport Een Europa dat werkt.
Vervolgens liet ook de inmiddels gegroeide SP van zich horen met de driedelige studie van haar wetenschappelijk bureau (van Raak, Sas en Schouten) uit 2002 getiteld De uitverkoop van de energie, De uitverkoop van het openbaar vervoer en De uitverkoop van publieke diensten.
Naar aanleiding van dergelijke rapporten zijn er herhaaldelijk kritische Kamervragen gesteld, en is ook de regering om een evaluatie van het marktwerkingsbeleid verzocht. Dat onderzoek heeft het Ministerie van Economische Zaken vervolgens in eigen beheer uitgevoerd, zogenaamd omdat dat sneller zou gaan. Het rapport is in februari 2008 aan de Kamer aangeboden. Het behelst, volgens de begeleidende brief van de Minister "een feitelijke en systematische analyse van de ontwikkeling in elf sectoren sinds de introductie van marktwerking". Die sectoren waren de luchtvaart, telecom, post, energie, spoorgoederenvervoer, het decentrale OV, de curatieve zorg, re-integratiediensten, de kinderopvang, het taxivervoer en het notariaat.
Niet geheel onverwacht kwam dat rapport uiteindelijk tot een positieve balans.
Het veel te beperkte perspectief van economen op markt, staat en samenleving
Aan die laatste studie kleven twee bezwaren. Ten eerste: In plaats van een onafhankelijke instelling met die evaluatie te belasten heeft het Ministerie dat decennia lang verantwoordelijk was voor dit privatiseringsbeleid besloten om de evaluatie zelf ter hand te nemen. Men heeft heel veel willen privatiseren, maar opmerkelijk genoeg was men niet bereid dan wel moedig genoeg om de evaluatie van het eigen handelen eveneens te ‘privatiseren’. Toch wel opmerkelijk voor een organisatie die zo hoog opgeeft van privatisering. Temeer omdat dit een klassiek geval is van een ‘slager die zijn eigen vlees keurt’. Als er nou iets is dat bij uitstek geprivatiseerd zou moeten worden dan is het wel de
evaluatie van het beleid van de overheid zelf.
Een tweede bezwaar is dat deze beleidsevaluatie uitgevoerd is door vrijwel uitsluitend economen en die zijn daarbij gehandicapt door het veel te beperkte perspectief van economen op markt, staat en samenleving. Finaal criterium voor waardering was de centrale positie van het principe van consumentensoevereiniteit.
Kortom: wat waren de gevolgen van de privatisering van een specifieke dienst voor de kosten en baten van de consument van die dienst? En dat opgevat in meest directe zin van het woord: hebben ze meer en betere kwaliteit van die specifieke goederen en diensten verkregen tegen lagere kosten?
Dat de beleidskeuzes ook wel eens gevolgen zouden kunnen hebben voor verder weg liggende kosten en baten in de samenleving en daarbij niet alleen voor de burger in zijn rol als consument, maar ook in zijn bredere rol als maatschappelijke en politieke actor, is bij die evaluatie geheel buiten beeld gebleven. Niet alleen zijn economische rechten, maar ook zijn bredere maatschappelijke, sociale, juridische en politieke rechten zouden wel eens geraakt kunnen zijn door dat privatiseringsbeleid.
De conclusie: politiek wordt steeds meer vervangen door economie
De conclusie van Van Waarden is dat privatisering leidt tot reductie van het publiek domein. Politiek wordt steeds meer vervangen door economie en de burger wordt gereduceerd tot consument. Daarmee treedt ook een verschuiving op in de dominante mechanismen van zeggenschap en controle op macht: van ‘voice’ naar ‘exit’.
Naarmate meer objecten en diensten uit het publieke domein verdwijnen, vermindert niet alleen de invloed van politici, maar ook van burgers die politici als hun vertegenwoordiger aan willen spreken. Als het goed is komt daar een invloed via de exit optie voor in de plaats. Worden we slecht behandeld door ziektekostenverzekeraar Achmea, dan snel naar Centraal Beheer. Vinden we het onzinnig dat Time-Warner padvinders verbiedt ‘Happy Birthday to You’ te zingen, dan niet meer naar films van die maatschappij gekeken. Kunnen we op die manier echter ook invloed op maatschappelijke processen uitoefenen? Als ik nooit meer naar een disco ga, voorkom ik daarmee een tweede Volendam-ramp? Is een boycot van Shell een voldoende middel om de luchtvervuiling tegen te gaan?
En wordt er nu beter naar de consument dan naar de burger geluisterd? In ieder geval is het machtsverschil tussen consument en menige private organisatie vaak groter dan tussen burger en politicus. De eerste is een relatie tussen individu en commerciële organisatie, de laatste is er een tussen individu en individu. Die commerciële organisatie wordt bovendien steeds groter door de voortgaande concentratie en fusietendens - die overigens nog aangewakkerd wordt door de privatisering. De fragmentatie van private kennis zet innoverende bedrijven ertoe aan concurrenten met kennisbezit in te lijven. Veel markten zijn inmiddels oligopolies. Daar staat slechts een zwak georganiseerde consument tegenover.
De consumentensoevereiniteit is in veel gevallen een theoretische fictie. En in ieder geval niet geschikt als sturingsprincipe voor de samenleving. In een democratie hoort het anders. Politiek gaat uiteindelijk boven economie. En dus volkssoevereiniteit boven consumentsoevereiniteit.
In zijn uiterste consequentie leidt marktwerking tot overbodigheid van de politiek
Wat is de limiet van een dergelijke ontwikkeling? De overbodigheid van de politiek! Een in zijn uiterste consequentie doorgevoerde liberalistische marktwerkingspolitiek, dwz. één die verwordt tot libertarianisme c.q. anarchisme, laat geen ruimte voor een politiek domein, geen rol voor een staat, voor oikos noch politeia. Waarom nog ter stembus gegaan als er steeds minder in de politiek beslist wordt, als er steeds minder publieke ruimte is om in - en publieke belangen om over - te delibereren? Draagt verdergaande privatisering zo ook niet bij aan de veelvuldig betreurde ‘Politikverdrossenheit’? Het vervolgen van een privatiseringsbeleid tot in zijn uiterste consequentie zou daarom in zekere zin zelfmoord zijn voor politieke partijen. Misschien dat ze dan maar het beste kunnen fuseren met consumentenorganisaties. En de leden en activisten van de partijen? Voor hen is hooguit een rol weggelegd als juryleden in privaatrechtelijke geschillen over eigendomsrechten en economische transacties. Bureaucraten worden advocaten, politici worden (scheids)rechters, en burgers juryleden. Is dat onze visie van het toekomstige publieke domein? Zou dat niet een nieuwe en echte ‘tragedie van de commons’ zijn: het verdwijnen van de politeia ... in een poging de eerste tragedie te overkomen?
Was Privatisering van het publieke domein well in het publieke belang? Een kritische beschouwing over het Nederlandse privatiseringsbeleid van de afgelopen decennia, door Frans van Waarden, Universiteit Utrecht, 64 pagina's, april 2012. Klik hier.
Over Frans van Waarden: www.uu.nl/staff/fvanwaarden
De 18-jarige kok Jules Wiringa zegt dat hij wel tachtig uur in de week werkt. Hij is nog bezig aan zijn opleiding op de kokschool, loopt stage in twee restaurants en werkt een dag in de week in restaurant 't Heerenlogement, gebouwd in de 16e eeuw en gelegen in het Betuwse dorp Beusichem.
Daar vertelt hij over zijn beroep, zijn vakmanschap en zijn beroepseer. Tot slot laat hij zien hoe hij achter het fornuis een lichte maaltijd kookt.
In Facilitair & gebouwbeheer, weekblad voor facilitair management en gebouwbeheer, verschijnt in elke aflevering een column van de hand van een van de ambassadeurs van FM2Share. FM2Share is een zwerm van zelfstandige professionals die door middel van co-creatie complexe vraagstukken samen aanpakken. Het gaat om advies- en interimwerk binnen de facilitaire sector. De samenwerking is gericht op meer kennis delen, creatieve ontwikkeling en innovatieve oplossingen.
In het nieuwe nummer is de column van Judy Alkema, eigenaar van Facilitair Support, gewijd aan: Betekenisvol facilitair handelen; moreel vakmanschap voorbij de regels. Ze schrijft:
In het kader van mijn onderzoek naar optimale facilitaire dienstverlening in de zorg, was ik laatst in gesprek met ervaringsdeskundigen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ervaringsdeskundigen zijn zelf opgenomen geweest en wonen nu weer in hun eigen omgeving). Ik vermoedde dat zij met waardevolle suggesties zouden komen om facilitair beter aan te laten sluiten bij het primaire doel van de instelling; herstel bevorderen en welzijn vergroten, onder meer door eigen regie voor cliënten centraal te stellen.
De ervaringsdeskundigen kwamen inderdaad met boeiende voorbeelden van ‘denken voor de cliënt’ in plaats van ‘denken met de cliënt’. Zo vertelde iemand dat op zijn afdeling de keukenkastjes op slot zaten. Dat was lastig want soms stond het warme eten haar om zes uur tegen en kreeg ze om negen uur ’s avonds trek in een cracker. Een andere ervaringsdeskundige vertelde dat er aparte toiletten waren voor personeel en patiënten. En over de huismeester die zo naar binnen liep op haar kamer. Over brood dat niet uit de zakken gehaald werd tijdens de lunch omdat ‘patiënten daar toch geen aandacht voor hebben’.
De voorbeelden lieten me niet los. Ik dacht na over (eigen)waarde en herstelbevorderend handelen. En over de boodschappen die in de bovenstaande voorbeelden impliciet uitgezonden worden. Hoe schrijnend ze eigenlijk zijn en hoe dit ontstaat terwijl hier zeker ook professionals werken met de beste bedoelingen. Ik vroeg ik me af, waar en wanneer we tijd reserveren om na te denken over wat we binnen onze instellingen doen en wat we met ons eigen dagelijkse handelen daarin teweeg brengen. Hoe vaak reflecteren we op onze
bijdrage aan het herstel en welzijn van cliënten? Of verschuil ik mij liever achter regels en procedures? Of vul ik in zonder te vragen aan cliënten?
Zou het niet beter zijn als wij ons afvragen wat het goede handelen is op dat moment? Wat juist is in die situatie? Dat vraagt om een kritische blik op ons eigen handelen. Om betrokkenheid bij het handelen van collega’s, óók als zij in het primaire proces werken. Er is moed voor nodig om de vraag te stellen: denk ik dat dit bijdraagt aan het herstel van deze persoon?
Ik houd vanaf deze plaats graag een warm pleidooi voor een verrijking van ons vakgebied door reflectie op de moreel ethische kant van ons vakmanschap. Met enkel de technisch instrumentele benadering - die ik vaak tegenkom in de praktijk - doen wij ons waardevolle vakgebied te kort! De uitdaging is om naast ‘het goed doen’ ook te kiezen voor ‘het goede doen’.
Betekenisvol facilitair handelen; moreel vakmanschap voorbij de regels, door Judy Alkema in weekblad Facilitair & gebouwbeheer, no 358, 2013. Klik hier.
Meer over het weekblad Facilitair & Gebouwbeheer: www.weekbladfacilitair.nl
Website FM2Share: www.fm2share.nl
Volgens Alfred Bos is Facebook geen Rijksmuseum en is creative crowdsourcing een mooi idee maar werkt het niet. Op de site van Nederlands Media Nieuws schrijft hij:
"Paul Verhoeven probeerde het vorig jaar met Steekspel; John Eubanks deed het onlangs met Het Koningslied. Verhoeven liet verstek gaan op de première van zijn film; Eubanks trok zijn lied terug. Wat is het probleem? Crowdsourcing, of preciezer: creative crowdsourcing. Het werkt niet.
Het publiek laten meewerken aan een creatief product, zoals gebeurde bij het scenario van Steekspel en de woorden van het Koningslied, levert onveranderlijk een misbaksel op. Het zal professionele tekstschrijvers niet verbazen. Schrijven is een vak, stellen ze - daarin hebben ze gelijk. En democratie mag een groot goed zijn als het gaat om het inrichten van de samenleving, ik laat het vakwerk liever over aan de vakman. Laat u de loodgieter in uw gebit boren?
Innerlijk genie
Creativiteit en crowd (massa) gaan niet samen, althans niet aan de productiekant van de matrix. De reden is zo voor de hand liggend dat de idealist hem makkelijk over het hoofd kan zien: niet iedereen is creatief. En niet alleen idealisten negeren dat blote feit, dat doen we bijna allemaal, want de boodschap dat iedereen een kunstenaar is wordt ons, de consument, al zo’n jaar of twintig door reclamemakers ingepompt.
En niet alleen door reclamemakers. Ook de – doorgaans Amerikaanse – bedrijven die sociale media leveren, houden de mythe in stand dat er in iedereen – ongeacht inkomen, opleiding, intelligentie of fysieke conditie – een Rembrandt of een Mozart schuilt, of in ieder geval het embryo van een kunstenaar. Dat innerlijke genie moet je de ruimte geven en daar bieden sociale media alle gelegenheid toe. Het is maar goed dat internet oneindig is, anders barstte het uit zijn voegen door de creatieve uitingen van de crowd.
Scheppen gaat van au
Facebook is geen Rijksmuseum en dat is de misvatting achter creative crowdsourcing: het haalt appels en peren door elkaar. Bovendien is er nog een probleem: De Nachtwacht is geen collage. Zelfs de collages van Kurt Schwitters zijn het werk van één persoon. Het script van Steekspel of de tekst van het Koningslied waren daarentegen het samengevoegde werk van meerdere auteurs, zelfs een amorfe wolk van schrijvers. De mislukking was meegebakken in het concept. Creativiteit en crowd gaan niet samen. Ze delen twee letters, maar zijn niet synoniem.
Laten we er niet moeilijk over doen. Niet alles wat de digitale revolutie mogelijk maakt, is bij voorbaat een succes. Dat het kan, betekent niet automatisch dat het wenselijk is. Creative crowdsoursing is een contradictio in terminis, een vierkante cirkel, een onbevlekte ontvangenis. Scheppen gaat van au schreef Jessurun d'Oliveira ooit en wie dat is, kunt u opzoeken in dat wonder van crowdsourcing, Wikipedia. Er zitten veel democratische en emanciperende aspecten aan digitale media, maar als het op scheppen aankomt levert de dictator beter werk af.
Alfred Bos is directeur van Alfred Bos Communicatie. Hij bedacht in 1995 het eerste blog ter wereld, Postcard from Mokum
Zie: Facebook is geen Rijksmuseum. Creative crowdsourcing is een mooi idee dat niet werkt op site van Medianieuws, 12 mei 2013:
www.nederlandsmedianieuws.nl
Lees ook de blog Social media als individueel groepsdenken: www.nederlandsmedianieuws.nl
Afscheidsspeech van Hans Wilmink, dertig jaar werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. 15 april 2013
Er is de laatste tijd veel te doen over de vraag of de overheid nog wel voldoende gezag heeft.*) Velen betogen dat het gezag van de overheid afneemt. Vaak wordt gewezen op maatschappelijke en culturele ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen. Zoals de individualisering (burgers hebben minder met het zogenaamde algemeen belang waar de overheid voor staat), de informalisering (gezagsverhoudingen zijn sowieso minder vanzelfsprekend), de informatisering (mensen zijn anders geïnformeerd, niet meer alleen via verticale. en gezagdragende relaties) en de internationalisering.
Die ontwikkelingen hebben zeker hun invloed maar het gedrag van de overheid zelf is ook van invloed op het gezag. Sinds twintig jaar geleden het boek “Reïnventing Government” [i]verscheen is men de overheid sterk bedrijfsmatig gaan zien, en ook binnen de overheid gaan denken in termen van marktprikkels, efficiency en de burger als klant. Dat denken bewijst ons een dienst bij het saneren van de overheid. Maar voor het verbeteren van het functioneren van de overheid in de rollen waar we juist specifiek een overheid nodig hebben, heeft het ons wellicht te veel op dwaalsporen gebracht. Wordt het niet tijd voor een “Restoring Government”? Moeten we daarbij wachten op de politiek of ligt hier nu al een taak voor ambtenaren?
De overheid lost het op als een instantie die je inhuurt
Mijn stelling is dat de overheid haar rol veelvuldig miskent. De overheid vertelt in haar beleidsvorming vaak het halve verhaal, de indruk wordt gewekt dat goed wordt gedaan voor alle burgers. Het begrip “algemeen belang” wordt ook binnen de overheid zo versimpeld als zou het identiek zijn aan het belang van iedereen of een soort van algemeen erkende “oplossing” van een vraagstuk.
Echter, de overheid heeft juist een specifieke en onvervreemdbare rol daar waar er tussen strijdige belangen moet worden afgewogen. Het zogenaamde algemeen belang kan niet anders dan na zo’n afweging tot stand komen en het kan dus ook nooit een algehele “oplossing” bieden. Bijvoorbeeld: de weg komt er, maar ten koste van een landschappelijk gebied en de mensen dáár die daaraan hechten. De investering wordt gedaan, maar ten koste van andere die ook zijn overwogen of ten koste van een bezuiniging.
De gevolgen voor de burgers die nadelen hebben van het gevoerde of voorgenomen beleid worden miskend. Het huidige kabinet voert een beleid gericht op meer verantwoordelijkheden voor de burger, voor voorzieningen die de overheid voorheen garandeerde of verzorgde. Gesproken wordt wel van “teruggeven” aan de samenleving. Uit onderzoek blijkt dat voorzieningen die op de participatie door burgers draaien zeer hoge eisen stellen aan het organisatorisch vermogen van mensen, maar ook aan het onderling vertrouwen. Die voorzieningen komen dus niet maar zo overal en voor iedereen tot stand. Dat veronachtzamen ondergraaft de geloofwaardigheid en daarmee ook het gezag van de overheid.
De burger is klant. U vraagt wij draaien?
Ook in de uitvoering van beleid – het leveren van diensten en voorzieningen - verzuimt de overheid vaak haar specifieke rol te nemen.
Daar verschijnt dat verzuim in de gedaante van de notie dat de burger als klant benaderd moet worden. Het boek Gezagsdragers[ii] laat zien waar het toe leidt als ambtenaren onvoldoende besef hebben van het feit dat de overheidsrol in de uitvoering een toekenning van rechten en plichten behelst, en soms drang en dwang vergt. Dat speelt bijvoorbeeld in de integratiesector (bij de inburgering), in de reclassering, bij de leerplichthandhaving, bij het verstrekken van sociale uitkeringen.
Politiek primaat en ambtelijk primaat.
In ons democratisch stelsel heeft de politiek het primaat als het om het invullen van de overheidsrol gaat. Maar ook ambtenaren hebben daarin een grote verantwoordelijkheid. Als adviseur bij de beleidsvorming en beleidsbepaling. Maar ook als uitvoerder van het overheidsbeleid. Bij dat laatste heeft de burger vaker en directer met de ambtenaar te maken dan met de bestuurder. De landelijke bestuurder ziet hij vooral op de tv, de lokale soms op bijeenkomsten, maar met de ambtenaar heeft hij veelvuldig en face tot face te maken. Uit onderzoek blijkt dat beleidsambtenaren hun eigen professionele ruimte vaak kleiner inschatten dan die daadwerkelijk is. Als we op de verslagen van de ombudsman afgaan zitten uitvoerende ambtenaren vaak te vast in hun regels en systemen om daadwerkelijk de relatie aan te gaan met een burger die een probleem heeft. Veel klachten van burgers gaan over de bejegening, het invoelingsvermogen, de slechte informatie en de bureaucratie. Zijn dat niet allemaal dingen waar de ambtenaar als eerste aan zet is en de politiek moet meekrijgen, in plaats van andersom?
De routekaart Goed Werk van onze Stichting Beroepseer (samen met de Universiteit van Tilburg) moet ons een eind op weg helpen in die richting!
*) Deze blog is gebaseerd op de speech die ik op 15 april 2013 hield bij mijn afscheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Klik hier voor de volledige tekst van de speech.
[i] Osborne, David en Ted Gaebler. Reïnventing Government. How the entrepeneurial spirit is transforming the public sector. A Plume Book, Penguin books, 1993.
[ii] Jansen, Thijs, Gabriël van den Brink en René Kneyber (red.). Gezagsdragers. De publieke zaak op zoek naar haar verdedigers. Boom 2012.
In de rubriek Secret Teacher van het Britse dagblad The Guardian berichten leraren anoniem over hun ervaringen. Op 11 mei 2013 schreef een onderwijzer van een lagere school dat hij en zijn collega's leven in een angstcultuur. Zijn verhaal wordt geïllustreerd door een foto van een desperate man, met zijn handen in het haar zittend in het klaslokaal: "We zien mensen huilen in hun auto, niet in staat naar binnen te gaan uit angst voor de dag. Huilende mensen in de gang na een succesvolle loopbaan als leraar. Ze zijn gedemoraliseerd en verkeren in onzekerheid door slechte evaluaties. Mensen huilen over de teloorgang van vertrouwen en de vreugde van het lesgeven. Mensen herinneren zich nog dat kinderen personen van waarde waren en niet slechts door statistieken geanalyseerde personen".
De auteur van deze ontboezeming schrijft dat hij op een fantastische lagere school werkt, gelegen in een van de armste regio's van Midden-Engeland. De leerkrachten doen hun best de armoe te compenseren en besteden aanzienlijk meer tijd aan hun pupillen dan elders gebeurt in een poging om de "kloof te dichten". Daartoe worden middelen ingezet als externe ondersteuning en speciale programma's voor lessen in bijvoorbeeld Engels voor nieuwkomers en leerlingen met een achterstand. Van de leerkrachten wordt verwacht dat ze op het hoogste niveau werken en moeilijk meekomende leerlingen weten op te stuwen: "Onze kinderen zijn vaak gecompliceerd, maar als personeelsstaf worden we niet erkend en worden we ondergewaardeerd in onze inspanningen om hen op te voeden en te vormen tot een samenhangende en gelukkige school. Helaas schijnen deze vaardigheden niet erg mee te tellen in het huidige klimaat".
Alles draait om academische vooruitgang1). Is vooruitgang niet meer dan alleen maar academische kennis en je examens halen?
"Vooruitgang is op een school als de onze ook vertrouwen opbouwen, helpen een gebroken hart te genezen en zorgen voor de emotionele, fysieke en sociale zekerheid van een kind. Hoe wordt dat gemeten? Moeten leraren ophouden kinderen bij hun naam te noemen en hun 2c, 3a of 5c noemen? Jammer genoeg is dat al het geval. Kinderen zijn geen individuën, ze zijn data".
Deze onderwijzer denkt dat de Onderwijsinspectie2) haar oordeel al had geveld voordat de inspecteurs een voet over de drempel van zijn school hadden gezet. Hij ergert zich aan de ongebreidelde macht van de inspectiedienst, de gebrekkige criteria voor beoordelingen. Die zouden door alle leerkrachten moeten worden getrotseerd. Waar is het gezonde verstand gebleven?
"Het grote verschil is dat de huidige beoordelingen gepaard gaan met risicovolle consequenties voor mensen. Sinds september gaan we elke dag met angst naar het werk. We springen door elke hoepel die ons voorgehouden wordt. We worden meegenomen op vernederende bezoeken aan 'excellente scholen' om prachtige leraren te ontmoeten, grootse lessen bij te wonen en de rapporten in te zien. Vaak blijven we in verwarring achter, aangezien onze kinderen evengoed of beter presteren en ons lesgeven is meestal evengoed of beter. Maar, wat we ook doen, het schijnt nooit genoeg te zijn en het is treurig om te zien dat sommige collega's het opgeven, hun vertrouwen verliezen en aan de Prozac gaan".
Korter dan een jaar geleden waren hij en zijn collega's "goed" en zelfs "bovenmatig goed" bevonden: "En plotseling moeten we ons verbeteren of erger, zijn we niet meer bekwaam.
Geven excellente leraren echt dag in dat uit excellente lessen volgens de nieuwe richtlijn van de onderwijsinspectie?3) Als dat mogelijk is, dan zal dat fysiek gezien niet lang kunnen duren. Het schijnt ons toe dat bekwame leraren met het vermogen hun intelligentie en ervaring naar eigen inzicht in te zetten, niet langer gewenst zijn. Welkom voor de fabrieksleraar aan de lopende band.
Natuurlijk moeten scholen geînspecteerd worden en docenten geëvalueerd. Natuurlijk moeten scholen en leraren streven naar vooruitgang. Maar een goede leraar is zijn eigen, ergste criticus, voortdurend stevend naar verbetering. Een goede leraar verwelkomt constructieve kritiek van collega's en deskundigen. Wij voelen ons op school nu opgejaagd. De jager staat te wachten in de gang, telkens met genoegen in zijn handen wrijvend bij elke les die niet voldoet. Het is aan ons om samen op te staan en de dingen recht te zetten, voordat ervaren, gepassioneerde en excellente leraren voor altijd voor het beroep verloren gaan. De doelpalen zullen weer verzet worden en volgende keer bent u het die met angst staat les te geven".
Referenties
1) Academische vooruitgang: Duizenden scholen in Engeland worden sinds 2010 gedwongen zich om te vormen tot zogenaamde Academy schools. Verspreid over het hele land zijn er momenteel 2,309. Dit type school valt niet langer onder de locale autoriteiten. Een deel valt onder het Ministerie van Onderwijs of wordt gefinancierd door grote liefdadigheidsinstellingen. Er zijn ook scholen die zich verenigen in federaties. Zie voor meer details: www.guardian.co.uk
2) De Britse Onderwijsinspectie heet The Office for Standards in Education, Children's Services and Skills (Ofsted). Ofsted wordt verweten politiek niet onafhankelijk te zijn en grote druk uit te oefenen op de scholen met als doel een door prestaties geleide onderwijscultuur. Hierdoor wordt zowel het moreel als de autonomie van leerkrachten ondermijnd.
3) De richtlijnen voor de onderwijsinspectie - The framework for school inspection - zijn herzien in april 2013. Deze bevatten de criteria en werkprocedures van de inspectie. Zie: www.ofsted.gov.uk
Lees het hele verhaal: Secret Teacher: are you teaching in a climate of fear? in The Guardian, 11 mei 2013: www.guardian.co.uk
Lees ook de reacties op dit artikel. Een zekere "dissenting voice" schrijft dat het beroep van leraar behoort tot de beroepen met de hoogste werkdruk. Bovenaan de lijst van werkdruk staat de gezondheidszorg. Het aantal zelfmoorden onder leraren is een derde hoger dan bij andere beroepen.
Jelmer Evers, leraar geschiedenis, vertelde op het Festival of Solutions van 24 april 2013 over zijn ervaringen als leraar vanaf het begin van zijn loopbaan. Hij gaf tevens goede raad over hoe het onderwijs van binnenuit te veranderen door gewoon zelf in de klas te beginnen:
Op het mooie Festival of Solutions deed ik mijn verhaal. Ik heb het daarna ook nog in iets andere vorm opgeschreven voor Harriet Kollen en Rusz Bisecker Vacca op hun blog Vuur en Vlam. Die kun je hieronder ook vinden. De boodschap, leren en ook het leraarschap kun je niet los zien van de persoon, vanuit je eigen biografie. En de oplossing bestaat niet.
Alleen de oplossingen die je met leerlingen maakt, met je collega’s en uiteindelijk die we met elkaar maken om beter onderwijs te bewerkstelligen.
Ruimte om te leren zit allemaal in ons hoofd. Ruimte maak je en neem je. Creëer je ook door een pedagogisch klimaat. Onder de juiste omstandigheden komt talent tot bloei en voor mij komt dat op dit moment samen op UniC. Stel je een klaslokaal voor in Zuid-Afrika. Pretoria, Mamelodi High. Midden in een township. Veel armoede, geweld, aids. Maar tegelijkertijd gaat het gewone leven ook door en kom je enorm veel levensvreugde tegen. En een fantastische veerkracht bij de kinderen (en bij volwassenen).
Dit was dus een van mijn eerste leservaringen. Een klas van 40 leerlingen, kinderen die gebrekkig Engels spraken, een krijtje met een blackboard en geschiedenisboeken uit de Apartheid. Ga er maar aan staan. Ze konden enorm goed dingen uit hun hoofd leren: getraind en gedrild waren ze. En oh ja ik moest ze ook nog iets over Bismarck leren. Middenin een Township in de 21e eeuw over de IJzeren Kanselier, terwijl ze hun eigen stad nauwelijks kenden.
Ik was daar redelijk op mezelf aangewezen. Ik zat er met twee medestudenten en we hadden af en toe contact met de Universiteit van Pretoria. Mijn begeleider Mapule vond het fijn dat ze iets meer tijd had voor haar andere klassen. En terecht, wat werkten die docenten hard. Maar goed, ik was onder deze moeilijke omstandigheden eigen baas en kon samen met mijn collega’s veel sparren over het lesgeven.
Achteraf waren het de ideale omstandigheden om te leren. Ik heb er twee hele belangrijke lessen uit getrokken: kinderen en mensen zijn tot de meest prachtige dingen in staat, onder hele moeilijke omstandigheden. Ten tweede, leren is veel meer dan formele kennisoverdracht. Ik was betrokken, leerde al doende, samen, van theorie en had tegelijkertijd ook een vangnet van een instelling. De perfecte combinatie van informeel en formeel leren. Achteraf, want het besef kwam pas met de tijd, is het een van de beste lessen die ik ooit heb gehad.
En dan? Dan ga je lesgeven in Nederland en dan kom je ineens in een keurslijf en werk je onder enorme werkdruk. Ik dacht: is dit het nou? Maar ja, lesgeven en werken met kinderen is zo leuk om te doen. In Zuid-Afrika is het vuur ontstoken en niet meer gedoofd. De school waar ik na een jaar ging werken gaf me ook alle vrijheid om het tweetalig curriculum in te richten, en die ruimte nam ik ook. Maar wat blijft de werkelijkheid weerbarstig door alle regels, collega’s, tijd en faciliteiten die er niet zijn. Ik had meer ruimte nodig.
Op een gegeven moment besloten mijn vrouw en ik om in het buitenland te gaan lesgeven. We waren aangenomen op een internationale school in Dubai. Maar juist op dat moment sloeg de crisis keihard toe, niet al te ver voor ons vertrek werd ons contract ineens verscheurd. En dan sta je ineens op een tweesprong. Ik kon teruggaan naar mijn oude school, stoppen met onderwijs, maar ik zag ook een advertentie voor een docent geschiedenis op UniC. Een school waar ik al veel over had gehoord en gelezen. Soms zijn er van die dingen die zo moeten zijn. Toeval bestaat niet en reageren op die advertentie was de beste beslissing die ik als docent heb gedaan. Het vuur laaide opnieuw op.
Waarom? Omdat we elkaar nodig hadden. UniC had mijn inhoudelijke expertise, niveau en enthousiasme nodig. En ik had de aandacht voor persoonlijke ontwikkeling nodig. De pedagogische kant. Wie ben ik? Wat wil ik? Wat kan ik? Daar gaat het echt om op UniC. Dat zijn vragen die mij als persoon ook nog dagelijks bezig houden. Wat ik daar vanaf het begin meemaakte was aandacht voor wie je bent, het kind, de persoon. Collega’s en leerlingen hebben me zoveel geleerd over persoonlijke ontwikkeling. Op UniC kwam ik voor het eerst meer een leergemeenschap tegen.
Tycho, inmiddels een oud-leerling, is daar een goed voorbeeld van. Tycho is een vrije geest die letterlijk bij Dave onze directeur naar binnen gleed, viool speelde op het dak, en bellen blies op school als statement. Mooie lange gesprekken over geschiedenis, onderwijs en inspiratie. Hij zei tegen mij “ga al die dingen doen” “neem die ruimte” Die nam hij zelf ook. Je moet stukken gaan schrijven, de politiek opzoeken, “Bellen blazen” En Tycho is maar een van vele voorbeelden. Juist door het gesprek ontstaat energie, inspiratie, reflectie, ruimte en lef. Voor mij een voorwaarde om te leren.
Bijvoorbeeld om veel te gaan experimenteren. Flipping the Classroom gaat voor mij bijvoorbeeld om keuzes, uitdagen en verantwoordelijkheid. Keuzes binnen het curriculum, uitdaging om een niveau hoger te kiezen, of buiten bestaande paden te treden. En leren om verantwoordelijkheid te nemen. Flipping the Classroom maakt dat allemaal mogelijk, maar kan nog veel verder gaan. Het is een ontdekkingsreis voor zowel de leerling als de leraar. Maar bovenal is ruimte persoonlijk, dus haal er uit wat erin zit. Daar zit het vuur.
Er is dus veel ruimte heb ik gemerkt, maar tegelijkertijd werkt “het systeem” benauwend en er zitten onbegrijpelijke grenzen aan. Nog meer toetsen, te weinig tijd, te weinig ruimte voor diversiteit. Vernieuwing is al te vaak teruggezogen naar de middelmaat, er is te veel eenheidsworst in Nederland. Maar ook binnen het systeem kun je ruimte creëren. Als we allemaal onze mond houden gebeurt er niets. Elk gesprek, brief, blog, artikel, voorbeeld telt. Ook voor onze leerlingen, democratie bestaat namelijk bij de gratie van zijn burgers. Als wij het niet doen wat kunnen we dan van onze kinderen verwachten?
En nu? Waar gaan we heen na het Festival of Solutions? Niet naar een nieuw dogma in ieder geval. Er bestaat een hele brede schaal van structuur tot veel vrijheid en iedereen moet de keuze hebben om daarin te kiezen. We hebben geen revolutie nodig, maar evolutie. Een schaalbare oplossing kan alleen worden gevonden op het niveau van leerling , leraar en ouder. Er kan veel meer dan we denken, begin klein en doe het gewoon, binnen je school. En laat het weten, spreek je uit.
Het mooiste moment op het Festival was voor mij dat Sjoerd en Sebastiaan, twee UniC-leerlingen, na afloop naar me toe kwamen en zeiden dat ze mijn verhaal inspirerend vonden. Ze willen meedoen en meedenken. Daar begint het dus. Een klein vonkje wordt een groot vuur. Uiteindelijk komt dan die beweging ook in het systeem. Maar het verschil dat je maakt bij één kind is al onbetaalbaar.
Jelmer Evers is Voortrekker van Beroepseer. Zie: www.beroepseer.nl
Website Jelmer Evers: www.jelmerevers.nl
Frits Bosch, gezondheidszorg psycholoog, en Henk Kik, klinisch psycholoog en psychotherapeut, hebben een artikel geschreven op de groepsblog van "De GGZ laat zich horen" over de reorganisatie en sanering in de vrijgevestigde Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) naar aanleiding van de aangekondigde forse bezuinigingsmaatregelen van Minister Schippers van Volksgezondheid. Volgens de minister dreigt de gezondheidszorg, als er niet ingegrepen wordt, onbetaalbaar te worden.
"De GGZ laat zich horen" is een platform voor professionals in de geestelijke gezondheidszorg die opkomen voor hun vak. Op hun Groepsblog wordt gediscussieerd over de koers van de GGZ.
Reorganiseren en saneren in de vrijgevestigde GGZ? Een pleidooi voor behoud van beroepskwaliteit, door Frits Bosch en Henk Kik:
Minimaal twintig procent van de gevallen die momenteel in de tweedelijns GGZ behandeld wordt, zal vanaf 2014 in de eerste lijn behandeld moeten worden (Bestuurlijk akkoord toekomst GGZ 2013 - 2014).
In de optiek van VWS moeten patiënten met “gewone” levensproblemen maar in hun eigen kring te rade gaan zodat er meer geld beschikbaar komt voor mensen met echte (psychiatrische) problemen. De eerste lijn zal daarom fors gereorganiseerd moeten worden. Minister Schippers heeft veel vertrouwen dat de eerstelijns GGZ de patiëntengroep “zonder ernstige psychiatrische stoornis” kan opvangen. Voor de zomer zal er een rapport gepubliceerd worden waarin wordt beschreven hoe de nieuwe Basis- en Generalistische-GGZ moeten gaan werken. Zoals gebruikelijk in Nederland is ook dit rapport inmiddels gelekt (Rapport HHM, 2013).
Het moge duidelijk zijn dat deze maatregelen veel onrust geven onder de vrijgevestigde gezondheidszorg-psychologen, eerstelijnspsychologen, kinder–en jeugdpsychologen, klinisch psychologen en psychotherapeuten. Om aan de nieuwe eisen te kunnen voldoen zullen zij hun praktijken fors moeten reorganiseren en hun declaratieprotocollen moeten aanpassen. Zij zullen er ook aan moeten wennen dat er meerdere aanbieders zijn van GGZ-zorg die met elkaar concurreren. Wij vrezen dat deze marktwerking en een daarmee gepaard gaande technocratische reorganisatie van de GGZ, waarbij de nadruk ligt op processen in plaats van op inhoud, de zorg voor patiënten niet beter maakt. Dit zullen we verduidelijken.
Enkele cijfers
Een kwart van de Nederlandse bevolking heeft jaarlijks een psychische stoornis. Veertig procent van de Nederlanders wordt ooit in het leven met een psychische stoornis geconfronteerd (GGZ Nederland). Ruim 850.000 mensen doen ieder jaar een beroep op de geestelijke gezondheidszorg (RIVM, 2013). Bijna negentig procent van alle geestelijke gezondheidszorg aangeboden vanuit instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ Nederland). Jaarlijks ontwikkelen bijna 200.000 mensen hun eerste psychische aandoening (Trimbos Instituut). Gezien het grote beroep op geestelijke gezondheidszorg en de door de overheid gestimuleerde marktwerking alle redenen om de vrijgevestigde praktijken van psychologen en psychotherapeuten te ondersteunen. Helaas is de werkelijkheid anders.
Lees het hele artikel van Frits Bosch en Henk Kik: Reorganiseren en saneren in de vrijgevestigde GGZ? Een pleidooi voor behoud van beroepskwaliteit, op de Groepsblog van van De GGZ laat zich horen: http://ggzlaatzichhoren.wordpress.com
Website De GGZ laat zich horen: www.deggzlaatzichhoren.nl


